Het begrip "jeugdconsulent" heeft de laatste jaren op vele
terreinen ingang gevonden,
ook op gemeentelijk niveau.
Het is een
functiebenaming geworden voor onder andere:
De gemeentelijke pr-vrouw of -man,
die voorlichting
geeft over
gemeentelijk beleid aan jeugd en jongeren.
De ombudsman of
-vrouw die,
gericht op de jeugd,
individuen of groepen bijstaat die door
algemeen
beleid gedupeerd worden.
Een raadsman of –vrouw die
al of niet in een eigen
winkeltje met
uiteenlopende informatie klanten helpt die
met vragen komen.
Een
jongeren-maatschappelijkwerkende, die
via
onderwijs, sociaal-cultureel werk en “vindplaatsen”
hulpbehoevende jongeren”
bijstaat.
Een ambulant werk(st)er die
(randgroep)jongeren opzoekt
en probeert te stimuleren tot sociaal-culturele
activiteiten.
Een
jongerenopbouwerkende, die
vanuit de
opbouwwerk-discipline
zich met jongeren bezig houdt.
Deze wat willekeurige opsomming geeft aan,
dat het denken over een jeugdconsulent vanuit diverse optieken
plaatsvindt
zonder dat men zich realiseert dat niet alleen doelstellingen,
maar
ook verantwoordingskaders kunnen verschillen.
Dit kan leiden tot implicaties die zich pas later
manifesteren
in conflictueuze situaties.
De gemeente zou bijvoorbeeld kunnen verwachten,
dat een consulent in een bepaalde kwestie de zijde van de gemeente kiest
(voor rechtvaardiging van het gevoerde beleid),
terwijl een of meer instellingen hun eigen standpunt in blijven nemen,
of een
of meer jongeren zich onheus bejegend voelen.
Bij een
jeugdconsulent denken wij aan
een jongerenopbouwwerker die een werkinhoudelijk
verantwoordingskader heeft, los van gemeente of instellingen.
Dit kader kan worden gevormd door een
aparte organisatie,
of door een verzelfstandigd samenwerkingsverband van
bestaande
instellingen als bijvoorbeeld
SMDB, VJV,
Culturele Raad, Stichting Werkprojecten,
de Werkgroep Culturele Minderheden of
Onderwijsinstanties,
ingericht overeenkomstig een
jongeren
overheid
instellingen
complementaire functies
vervullen,
zonder dat er één overheerst.
Het jongerenopbouwwerk is in dit model een intermediair
kader met twee functies, t.w:
een
inhoudelijk (géén bestuurlijke) coördinatiefunctie,
oftewel het in contact
brengen en houden van
de drie “onderdelen” van het model:
de jeugd, de overheid en de instellingen
een
hulp- & ontwikkelingsfunctie,
oftewel het opsporen en begeleiden van
groepen jongeren en
hen stimuleren tot actieve participatie in het lokaal
welzijnsbeleid,
alsmede het stimuleren en ontwikkelen van beleidsinnovatie
bij overheid en particulier initiatief.
Ter
verduidelijking zullen we deze twee functies vertalen in een aantal
taakelementen
van de jeugdconsulent.
Primair gaan wij hierbij uit van de belangen van de jeugd
zelf en zijn de
belangen van instellingen en de overheid daaraan ondergeschikt
gemaakt.
Een intermediair kader in een krachtenveld
met drie actoren, t.w. jongeren, overheid en instellingen vereist enige
“positionele flexibiliteit”.
Met andere woorden:
Het jongerenopbouwwerk is gericht op alle drie,
maar het meest geëngageerd met de zwakste actor,
meestal de jeugd, dus.
Zodoende zijn we gekomen tot onderstaande elementen voor een taakbeschrijving:
3.1.
Belangenbehartiging
Het onderkennen van implicaties die beleidsmaatregelen
voor jongeren hebben
en het ter
bestemde plekke kunnen brengen van alternatieven,
alsmede het kunnen vertalen
van
wensen en behoeften van jongeren in beleidstermen.
3.2.
Participatiebevordering
Het stimuleren en equiperen van jongeren om
te
participeren in inspraakprocedures en het bewaken
(of bevechten) van
inspraakmomenten in de beleidsontwikkeling.
3.3. Innovatie
van
jeugdwelzijnsvoorzieningen als:
Kleine accommodaties voor ongeorganiseerde groepen,
buitenschoolse
opvang,
een jeugdservicebureau,
initiatieven voor jeugdige werklozen,
een ombudsfunctie.
3.4. Coördinatie
en binnen de
instellingen voor jeugd en jongeren.
Bevorderen van afstemming en samenhang in
de voorzieningen.
3.5. Ondersteuning
Jeugd- en Jongerenwerk
Het stimuleren en enthousiast houden
van vrijwillige
besturen en medewerkers van de jongeren- & buurtcentra
en het onderhouden
van contacten met
lokale/regionale/provinciale steunorganisaties.
4. VOORWAARDEN
Om verantwoord vorm te kunnen geven aan de genoemde
taakelementen,
zal een jeugdconsulent zich allereerst het vertrouwen van de jeugd
moeten verwerven.
Een identificatie met de met de overheid is daarom niet direct gewenst.
(Het gaat uiteindelijk ook niet om een overheidsconsulent).
Als algemene voorwaarde stellen wij, dat een
jeugdconsulent
moet kunnen werken vanuit de belangen van de jeugd ter plaatse
en niet gezien mag worden als vertegenwoordiger of belangenbehartiger van
de
lokale overheid of van één algemene welzijnsinstelling.
Een jeugdconsulent mag geen instrument zijn om
de jeugd
onder controle te houden en over hen te rapporteren,
doch dient een instrument
te zijn waarmee en waardoor jongeren
vorm & inhoud kunnen geven aan
hun eigen ideeën, wensen en behoeften.
Dit houdt in, dat over de plaats, taken en
verantwoordelijkheden
van de consulent duidelijke,
politiek-bestuurlijke uitspraken gedaan moeten
worden,
die resulteren in een voor alle betrokkenen acceptabel reglement.
Daarbij zal ook het spanningsveld waarbinnen een
jeugdconsulent opereert,
overwogen moeten worden:
de gemeente als
subsidiënt en politiek beleidsbepaler,
het werkinhoudelijk verantwoordingskader,
de diverse, “ongeorganiseerde” jeugdgroepen
en -groeperingen,
de instellingen voor educatief en sociaal-cultureel werk,
de organisaties voor gezondheidszorg en hulpverlening,
de diverse wijken met hun veelal specifieke problemen,
bovengemeentelijke (jeugd)welzijnsvoorzieningen en steunorganisaties
en vanzelfsprekend het privé-leven van
de consulent
(“Pap, heb je dit jaar wel mijn verjaardag in je agenda gezet?”).
In dit spanningsveld kunnen gemakkelijk conflicterende belangen ontstaan.
Hetzelfde geldt voor de probleemvelden die aan de consulent worden toegedacht:
Jongerenhuisvesting, wijkvoorzieningen, jeugdaccommodaties,
werkloosheid- & -gelegenheidsprojecten, culturele en etnische groeperingen,
meidenwerk, kadervorming vrijwilligers
(zelforganisatie/participatiebevordering/actiegroepen),
sociaal-cultureel en educatief werk toegankelijker maken, alsmede de
hulpverlening.
dat aan een jeugdconsulent
bijzondere kwaliteitseisen gesteld dienen te worden.
Essentieel voor de vakbekwaamheid van een jeugdconsulent zijn
kennis en kunde op het gebied van:
individuele
en groepsgerichte communicatie.
informatie-overdracht
en public relations.
agogisch-didactisch
handelen,
het kunnen koppelen van doelen aan werkprocessen,
die aansluiten op de beleving, kennis en
kunde van betreffende jongeren.
inzicht
(of het snel kunnen verwerven ervan) in
(welzijns-)beleidsprocessen en
implicaties ervan kunnen sonderen.
inzicht
in en gevoel voor
de diverse uitingen van jeugdcultuur.
het
kunnen ontwikkelen van
strategieën met een redelijk haalbaarheidsgraad.
Het liquidatiebestuur adviseert het
bestuur van de gemeente, het initiatief te nemen tot
overleg met
organisaties die op
politiek, maatschappelijk, sociaal-cultureel, educatief of sociaal-economisch vlak
actief zijn voor jongeren,
teneinde te stimuleren, dat
er op korte termijn
structurele en organisatorische mogelijkheden komen voor
het jongerenopbouwwerk
en daar de financiële
middelen voor beschikbaar te stellen.
Het Liquidatiebestuur beschouwt hiermede zijn werk als
afgerond.
Hillegom, 16
oktober 1985, het Liquidatiebestuur OJC Downstairs :
Marc Witteman,
Astrid van Dijk,
Marcel
Veenman,
Frank van Schie & Jan van Hensbergen.
![]()
global younger policy arguments
vormingswerk
jong volwassenen
de hood
panarchistisch model voor younger policy
![]()