DAG DROMEN NA DE LUNCH.
Stelt u zich voor dames & heren, "Zou jij mijn
waakhond willen zijn? Zou u op zo’n vraag "Nee" kunnen antwoorden? Nee, vonden wij ook, en we zeiden dus Ja. "Raad voor Jeugdbeleid". De Raad wilde met zijn reorganisatie aangeven, dat de Provincie op alle terreinen van haar beleid binnen de ontwikkeling ervan
zowel aandacht zou moeten schenken aan implicaties voor de jeugd alswel de directie betrokkenheid van de jeugd zou moeten bevorderen. NIET alleen om de waarde, normen en NIET alleen om de specifieke problemen waarmee NOCH om de specifieke problemen waarmee NOCH om de jeugd van nu schatplichtig te maken MAAR vooral omdat de jeugd,
De Raad stelt zich kortweg ten doel: "Werkzaamheden ontwikkelen op basis van onderzoek, studie & overleg ter verbetering van de positie van de jeugd in Noord-Holland met betrekking tot hun ontplooiing, hun emancipatie en hun participatie in het maatschappelijk, politiek , sociaal-economisch en cultureel leven." "Een mond vol pretenties," zult u ongetwijfeld denken, zeker wanneer ik U daarbij vertel, dat de Raad bestaat uit 30 mensen die in hun spaarzame vrije tijd in werkgroepen actief zijn, ondersteund door een Bureau waar 7 mensen gemiddeld 29 uur per week werkzaam zijn. Gelukkig is het meer dan dat; is het meer dan blazen in het zeil van je eigen boot. In het dossier dat U als deelnemer aan dit congres hebt ontvangen, vindt U een bijdrage van onze Raad aan deze hearing onder de titel: "Jeugdbeleid & Cultuurparticipatie ". Daarin wordt een korte, historische schets gegeven van de ontwikkeling van beleid met betrekking tot de jeugd, een bevolkingscategorie van globaal 0 tot 25 jaar. Deze schets is overigens opgezet met een relativerend knipoogje, want we zijn hier niet bijeen voor een statische, waardevrije en historische beschouwing, maar vooral om de dynamiek op te sporen, de beweging, de interactie en de effecten daarvan, zowel tussen bestuurslagen onderling, alswel tussen bestuurders en bestuurden. Alvorens daar nader op in te gaan eerst nog even iets over de functies en werkwijze van de Raad. De Raad heeft zich opgedeeld in secties, te weten: Binnen deze secties zijn werkgroepen gevormd, die door een beleidsmedewerker worden ondersteund. Voorts verricht en coördineert het Bureau onderzoek en ontwikkelt het experimenten ter bevordering van Jeugdbeleid. Daarnaast participeert de Raad in een proefproject voor schoolverlaters en een experiment ter bevordering van de kunstappreciatie en cultuurparticipatie. De Raad heeft zich de eerste jaren van zijn nieuwe bestaan voor een groot deel bezig gehouden met het inzichtelijk maken van de situatie van jeugd en jongeren op bovengenoemde terreinen en de zich ontwikkelende infrastructuur van voorzieningen. Op grond daarvan verschenen: Studies en standpunten: Commentaren en adviezen: Daarnaast werden studie & themadagen georganiseerd: Voor gemeente-ambtenaren: Voor Welzijnsorganisaties: Deze laatste activiteiten worden meestal met andere instellingen georganiseerd om het draagvlak te verbreden. Naast de adviesfunctie heeft de raad ook een functie ten aanzien van beleidsinnovatie, voornamelijk gericht op aan de ene kant lokale en regionale overheden; aan de andere kant de bestaande voorzieningen. Deze innovatiefunctie is gericht op het bevorderen van onderlinge samenhang en afstemming op de behoeften en belangen van de jeugd. In de eerder genoemde notitie "Jeugdbeleid & Cultuurparticipatie" vindt U twee projecten nader beschreven, waarbij beleidsbeïnvloeding & –vernieuwing een duidelijk oogmerk zijn. Als laatste heeft de Raad een "planning-ondersteunende" functie voor groepen en initiatieven die onvoldoende zijn toegerust om zich een plaats te verwerven binnen de beleidsplanning van de overheid en die binnen het bestaande ondersteuningsaanbod geen aandacht kunnen krijgen of willen hebben, omdat ze er met hun idioom niet terecht kunnen. De werkwijze van de Raad kenmerkt zich door het intern opbouwen en versterken van de kwaliteiten op alle terreinen die voor jeugdbeleid van belang zijn en het betrekken van alle belanghebbenden bij de ontwikkeling van een product. De Raad identificeert zich in zijn werk niet met de overheid of instellingen, maar met de jeugd, voor wie het betreffende product bedoeld is. Die identificatie met jongeren en het van het daaruit "kritisch creatief tegenspel" bieden (een karakterisering van de Provincie) kan in principe leiden tot botsingen met overheden en instellingen. De Raad heeft die rol echter op zich genomen vanuit de overtuiging, dat binnen de grenzen der redelijkheid de kracht van het argument een eerbaar wapen is voor verweer. Hiermee geachte toehoorders, zijn we aangekomen bij het laatste deel van mijn inleiding en nodig ik U uit, mee te gaan op een speurtocht naar de dynamiek in het jeugdbeleid, oftewel: de interactie tussen de diverse partijen. Bij jeugdbeleid is globaal genomen sprake van drie partijen: de jeugd, de instituten en de overheid. Deze laatste partij, die nogal eens de neiging heeft als solist op te treden, doet in nederland op drie niveaus van zich horen: nationaal, provinciaal en lokaal. Instituten organiseren zich bij voldoende vraag of hoge institutionele behoefte bij voorkeur lokaal en bouwen vaak zodanige netwerken op van gelijksoortige identiteit, dat institutionele en functionele belangen nogal eens verward raken. De jeugd staat erbij en kijkt er naar; voelt zich al naar gelang de situatie: In de driehoeksverhouding die bestaat tussen de overheid, de jeugd en de instituten staat De Raad in de hoek van de jongeren. Niet het belang van zijn organisatie staat de Raad daarbij voor ogen, maar het behoud en de uitbouw van zijn functies, die moeten leiden tot:
Met "interne consistentie" bedoelen wij, dat een maatregel in zijn ontwikkelingsfase in relatie wordt gebracht met voornemens en maatregelen uit andere beleidssectoren, teneinde na te gaan of hij niet conflicterend zal werken op het overige beleid. Met "externe consistentie" wordt bedoeld, dat maatregelen zijn ontwikkeld vanuit een visie op de positie van jongeren en aansluiten op hun belangen en behoeften. Als we daarbij in ogenschouw nemen, dat het politiek geformuleerde belang van kinderdagverblijven (zowel vanuit pedagogisch als emancipatorisch beleid) geen compenserende injectie kreeg, zal duidelijk zijn, dat ook de "interne consistentie" hier niet aanwijsbaar is. Nog een kort voorbeeld om de complexiteit der dingen aan te geven: De leerprestatie werd aanvankelijk beschouwd als een kwestie van aanleg En deze staan weer in relatie met het beleid op het gebied van arbeid, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en welzijn. (Gelukkig heerst in entropie geen chaos.) Daarnaast zijn allerlei maatschappelijke ontwikkelingen van invloed. Het ook in Nederland toenemend verschijnsel "echtscheiding" bijvoorbeeld ontwikkelt zich bepaald niet evenredig met de maatschappelijke acceptatie en ook het overheidsbeleid past zich vertraagd of onvoldoende aan (bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting, justitie, sociale zekerheid), met allerlei kwalijke gevolgen, ook voor de kinderen. Wie jeugdbeleid nastreeft, roept dus een krachtenveld op, dat aanmerkelijk gecompliceerder is dan beleidsbeïnvloeding die sector-georiënteerd is.
Dat vereist onderzoek en overleg, toegang tot aanpalende beleidssectoren, ruimte en tijd voor inspraak en participatie. Om nu te ervaren, wat dat bij het in de praktijk van jeugdbeleid betekent, is het "Experiment West-Friesland" opgezet. U vindt het experiment beschreven in de reeds genoemde notitie. Onderwijs, hulpverlening, sociaal-cultureel werk, gezondheidszorg, arbeidsmarkt en 13 gemeenten zijn erbij betrokken, evenals uiteraard de jongeren zelf. Voor diverse projecten zijn interdisciplinaire of intersectorale werkgroepen in het leven geroepen. Er komt een regionale informatiekatern die jongeren in hun schoolagenda kunnen plakken, een "nieuwsblad" voor jeugdbeleid , waarmee het gebrek aan inzicht dat de verschillende organisaties in elkaar hebben, kan worden opgelost en de onderlinge communicatie kan worden bevorderd. Daarnaast gaat er gericht onderzoek plaatsvinden: een belevingsonderzoek onder 12 tot 15 jarigen waarbij niet alleen de school, maar ook de geografische en maatschappelijke omgeving wordt betrokken en waarmee we trachten zicht te krijgen op het omslagpunt van experimenteergedrag naar risicogedrag. Voorts komt er een onderzoek naar de plaats en betekenis van alcoholgebruik (er wordt in die regio onder jongeren veel gedronken) en wordt een plan ontwikkeld voor een attractief en uitdagend apparaat waardoor jongeren zich bewust kunnen worden van de effecten van alcoholgebruik, opdat zij er weloverwogen mee leren omgaan. Daarnaast worden er zowel in een werkgroep met ambtenaren als in een overleg met jongeren mogelijkheden ontwikkeld om het beleid toegankelijker te maken voor jongeren. Met die 13 gemeenten wordt in regionaal verband overlegd om het experiment verder te ontwikkelen en te beschrijven. De ervaringen die wij in deze regio opdoen, willen we overdraagbaar maken naar de overige regio’s in Noord Holland. Het experiment is zijn derde jaar ingegaan en zal begin 1988 worden afgerond. Dan zal duidelijk moeten zijn, onder welke voorwaarden jeugdbeleid gestalte kan krijgen. Ontegenzeggelijk is het bovenlokale aspect van groot belang.
Het experiment vraagt, meer dan aanvankelijk verondersteld, een geconcentreerde en geïntensiveerde inspanning, niet alleen van de Raad, maar ook van alle anderen.
Niet in het minst zijn we daarbij geholpen door het vertrouwen dat er op de hogere politieke niveaus bestond. Op dit moment heeft ook het bedrijfsleven interesse getoond en wordt wellicht door sponsering de uitgave van het informatiekatern mogelijk. Deze bijdragen hebben op zich weer een zeer stimulerend effect op jongeren en instellingen. "Wat leert ons nu dit allemaal?" hoor ik u zuchten. Wel, om het konijn dan maar uit de hoed te halen: Op rijksniveau staat men te ver weg van de basis van de samenleving en lokaal is de situatie vaak te kleinschalig om zelfstandig eigen beleid op te zetten.
Een intergemeentelijke aanpak vergroot de En daar komt het belang van de provincie of regio in zicht.
Het provinciale niveau vormt in de nederlandse verhoudingen een uitstekend intermediair tussen rijk en gemeente. Zeker als het niet alleen gaat om interactie tussen de bestuurslagen onderling, maar vooral tussen overheid en een volwassen samenleving. Geachte aanwezigen, Vanuit dit tussenniveau kunnen bij uitstek beleidsvernieuwende stimulansen uitgaan naar beneden en naar boven. Zeker als dit tussenniveau zich een waakhond aanschaft. De Raad voor Jeugdbeleid is er trots op, zo’n waakhond te mogen zijn en zal xeker geen schoothondje worden. We beseffen daarbij wel, Jan van Hensbergen
jeugd
cultuur participatie gyp.nl
|
|
trybe#manhattan
gaingate#office |