2.         PRAKTISCHE GEDEELTE:

 

2.1       HET DOEL VAN DE SCHOOL.

 

De St. Pancrasschool is een school voor buitengewoon lager onderwijs aan Rooms - Katholieke debiele jongens.

Zij is gevestigd aan de Boerhavelaan 298 in Leiden en staat onder het bestuur van het Liefdewerk van de Heilige Cunera.

De school is geen louter leerinstituut, maar een gezinsaanvullend opvoedingsinstituut, waar onderwijzend wordt opgevoed.

Zij gaat ervan uit, dat de school voor vele leerlingen tevens eindonderwijs zal zijn.

Hierop steunend kunnen we de volgende basiseisen stellen:

  1. De leerlingen moeten bij het verlaten van de school een eenvoudig stukje kunnen lezen en schrijven.
  2. Ze moeten in een beperkte getallenruimte overweg kunnen met hele getallen.
  3. Ze moeten iets afweten van maten en gewichten.
  4. Van groot belang is het kunnen hanteren van geld.
  5. Ze moeten eenvoudige waren- en instrumentkennis machtig zijn.

 

Vooral van belang is de karaktervorming van de leerling, omdat het kind met kennis alleen niet door het leven komt. Bovendien is hun kennis-opname-vermogen nogal beperkt.

Bij deze karaktervorming speelt ook het bijbrengen van beroepsethos een grote rol. Zij moeten werken, voor zover het om zinvolle opdrachten gaat; leren zien als een plicht, waarbij respect voor het materiaal, nauwkeurigheid en tempo vereiste is.

 

De school is een streekschool tot wier rayon Leiden en de omliggende gemeenten behoren. Mochten de ouders uit een andere gemeente echter de voorkeur geven aan deze school, dan wordt hun kind ook toegelaten.

Mochten de kinderen met de bus naar school komen, dan wordt er van gemeentewege een reiskostenvergoeding uitgekeerd. Daar de school zoveel mogelijk de leerlingen wil brengen tot een zekere mate van zelfstandigheid, is er geen eigen vervoer in de vorm van schoolbussen of taxi's.

 

 

2.2       Schooltechnische & -Organisatorische Gegevens.

 

2.2.1    Inleiding tot het leerplan

  

De school heeft een zeer uitgebreid leerplan, dat een antwoord geeft op vele vragen, die er kunnen rijzen, als men dit schooltype nader beschouwd.

Tal van scholen kunnen aan dit leerplan een voorbeeld nemen.

Het is ook niet te verwonderen, dat wij bij een hoofdstuk over schooltechnische en –organisatorische gegevens danig geput hebben uit dit leerplan.

Als inleiding tot het leerplan wilden wij de volgende punten bekijken:

  1. De toelating der leerlingen.
  2. De samenwerking tussen school en huisgezin.
  3. De samenwerking tussen hoofd en leerkracht.
  4. De samenwerking tussen de school en de sociaal - pedagogische zorg.

 

ad 1. De iure behoort het toelaten van leerlingen bij het schoolbestuur. Dit wordt echter waargenomen door een toelatingscommissie, bestaande uit: het hoofd van de school, een schoolarts en een psycholoog.

Deze laatste wordt door het schoolbestuur benoemd en is 2,5 uur per week beschikbaar.

Kandidaten voor de B.L.O., die van de R.K. Leidse scholen komen, worden voor de toelatingscommissie gebracht via de R.K. School-Pedagogische-Dienst.

De sociaal werkster van dit instituut verricht gewoonlijk het milieu - onderzoek, neemt de anamnese op en stuurt hiervan een rapport in.Tevens neemt ze contact op met de school om te informeren naar de leer- & gedragsmoeilijkheden.

De leerlingen buiten Leiden worden meestal opgegeven door de schoolartsen, de hoofden der scholen of door de ouders zelf. Het hoofd van de school stelt zich tevoren op de hoogte van de omstandigheden van het kind thuis en op school.

Het onderzoek heeft hierna in de regel plaats op de school zelf. De ouders krijgen dan bericht om met hun zoon op school te verschijnen.

Voor het intelligentie-onderzoek verzamelt het hoofd gegevens betreffende de schoolvorderingen van de kandidaat, terwijl de schoolarts de gegevens van het lichamelijk onderzoek verstrekt.

Vaak is er een correlatie tussen de verstandelijke en de lichamelijke gesteldheid. Hier komen wij later nog even op terug.

Het intelligentie-onderzoek verloopt verder volgens de methode Binet-Sijmon naar een bewerking van Dr. van Krefelen. Naast deze bewerkte methode heeft men ook de revisie van Terman.

Van Krefelen stelt men echter boven de Terman om de volgende redenen:

  1. Ze werkt iets vlugger dan de Terman-Merrill.
  2. Historisch gegroeid. Van Krefelen is professor in Leiden en werkte vroeger en ook nu nog wel mee aan het BO als kinderarts. Deze test is zodoende al jaren in gebruik en overschakeling zou de mogelijkheid om te kunnen vergelijken met vroeger vermoeilijken.
  3. Deze test wordt op alle omliggende BLO-scholen gebruikt.

 

Daar zowel de Terman als de Van Krefelen aanwezig  waren, hebben wij beide met elkaar kunnen vergelijken.

Om u enig inzicht te geven, nemen we hier de proeven over voor 3- en 10-jarigen.

 

3 jaar

Terman

Van Krefelen

3.1

Eenvoudige opdrachten met bekende voorwerpen

Delen van het lichaam kunnen benoemen desnoods met een pop

3.2

Woordenschat bepalen met behulp van plaatjes

Benoemen van bekende voorwerpen

3.3

Het vergelijken van stokjes

Voorwerpen opnoemen met behulp van plaatjes

3.4

Vertellen met behulp van plaatjes

Geslacht noemen

3.5

Voorwerpen herkennen aan gebruik

Achternaam zeggen

3.6

Inzicht

Kruis natekenen

6 tot 7 lettergrepen nazeggen

alternatief: 3 cijfers nazeggen

 

 

 

10 jr

 

 

10.1

Woordenschat met behulp van woordenlijst

6 cijfers nazeggen

10.2

Ongerijmdheden in plaatjes zoeken

Absurditeiten ontdekken in plaatjes

10.3

Lezen & navertellen

Tekenen uit geheugen

10.4

Redenen aangeven

Tekst herinneren

10.5

Woorden opnoemen 28/minuut

Verstandsvragen beantwoorden

10.6

6 cijfers herhalen

60 woorden in 3 minuten

20 tot 22 lettergrepen nazeggen

 

 

Voor een groot deel komen al deze proeven op hetzelfde neer en dat kan feitelijk ook niet anders. Er is wel een groot verschil in materiaal.
Had de Terman nieuw, modern materiaal, de Van Krefelen had nog het materiaal zoals het door Herderschee was uitgegeven als "Utisiliën Onderzoek Methode Binet".

Na het intelligentie-onderzoek wordt er aan de ouders advies gegeven over de voor het kind meest geschikte school.

Áls toelatingsdatum houdt men zoveel mogelijk 1 januari en 1 augustus aan.

 

Brief aan de ouders bij de inschrijving van de leerling

 

St. Pancrasschool, Boerhaavelaan, Leiden, 1967.

 

“Geachte ouders,

 

Nu uw zoon leerling is geworden van de St. Pancrasschool is het misschien goed uw aandacht te vestigen op het volgende:

 

Onze school staat onder de bescherming van de H. Pancratius.

Patroonsfeest is 12 mei.

 

Het adres van de school is: Boerhaavelaan Leiden, te Leiden. Telefoon: 01710 - 51964.

De schooltijden zijn van maandag tot en met vrijdag van 9 - 12 en van 1 - 3 uur.

 

Elke maand is er een schoolmis met gelegenheid om te communiceren.
Eén of twee dagen ervoor gaan we biechten.

 

De leerlingen van de 4 hoogste klassen gaan op vrijdag zwemmen.

 

Op onze school wordt melk gedronken. Prijs per 2 weken f 1,35.
Het nut van melk drinken is u voldoende bekend. Uw kind krijgt iedere dag melk.

 

Voor vakantie en vrije dagen krijgt uw zoon altijd een briefje mee met medelingen betreffende de vakantie of de vrije dagen. Snipperdagen voor leerlingen bestaan niet. Als er dus een bijzondere reden voor een extra vrije dag is, moet dit van te voren schriftelijk aan het hoofd van de school worden aangevraagd.

 

Het hoofd der school en de onderwijzers(essen) zijn altijd te spreken.

Om een vergeefs bezoek te voorkomen, is het aan te raden een afspraak te maken.

 

Uw zoon krijgt 3x per week gymles. Daarbij wordt een gymbroekje gedragen. Dit broekje wordt door de school verstrekt. Voor en na de gymles worden de voeten van de kinderen gewassen. Daarvoor krijgen ze een handdoek in bruikleen. Voor het gebruik van de gymbroek en handdoek (iedere week een schone) wordt van de ouders 1x gedurende de hele schoolperiode 10 gulden gevraagd.
Deze 10 gulden worden op de eerste schooldag meegebracht.

 

Eens per jaar gaat de hele school op schoolreisje. We sparen hiervoor van januari tot juni. U krijgt hiervan nog wel een brief.

Tweemaal per jaar, in november en maart, krijgt uw kind een rapport mee. Aan het eind van het jaar wordt een ouderavond gehouden. Dit is in plaats van een rapport.

 

De verkeersregeling in de omgeving van de school wordt zo veel als noodzakelijk geacht verzorgd.

 

Hoogachtend,
het Hoofd der School.”

 

 

ad 2. De samenwerking tussen school en huisgezin.

 

Voor en tijdens het toelatingsonderzoek worden al de eerste contacten gelegd tussen de school en het huisgezin.

In het anamnese-rapport wordt ook al een beschrijving gegeven van de gezinssituatie.

Enkele feiten die uit deze rapporten blijken:

 

 

Daar al deze feiten al bekend zijn bij de toelating van het kind, spreekt het voor zich, dat er al een stevige basis gelegd is voor een band tussen school en huisgezin.

Deze wordt verder onderhouden door:

 

a: Huisbezoek.
Op geregelde tijden, en zeker als het gedrag van de leerling er aanleiding toegeeft, zal de onderwijzer de leerling thuis bezoeken om de milieuomstandigheden, de verhouding van zijn leerling ten opzichte van de ouders, broers en zussen én de vrijetijdsbesteding in het oog te houden. Op de observatieformulieren wordt hiervan aantekening gehouden.

 

b: Rapporten.
In oktober en februari wordt er een week lang schriftelijk werk gemaakt in rapportcahiers. In briefvorm wordt er de beoordeling van de klasonderwijzer bijgechreven. Deze cahiers komen eerst ter inzage bij het hoofd van de school.

 

c: Spreekuur.
Voor de ouders is er altijd gelegenheid om na schooltijd het hoofd en de klassenleraarkracht te spreken.

 

d: Het oudercomité:
Dit comité is aan de school verbonden als een schakel tussen school en huisgezin en organiseert eenmaal per jaar een ouderavond. Deze wordt gehouden aan het eind van het schooljaar.

 

e: Mededelingen:
Alle mededelingen betreffende vrije dagen, activiteiten e.d. worden schriftelijk aan de ouders doorgegeven.

 

Hoewel de mogelijkheden tot een hechte samenwerking dus plenty zijn, laat die toch wel eens te wensen over. De oorzaak moet dan meestal gezocht worden in het zwak-sociale milieu waaruit de leerling komt. De ouders tonen dan géén interesse of hebben er een hekel aan, dat hun zoon op een BLO-school zit.
Ook komt het voor, dat de ouders zich er voor schamen dat hun kind "zo" is en proberen ze dit te verdoezelen.

 

ad 3. De samenwerking tussen hoofd en leerkrachten.
Om het gestelde doel te bereiken, is een hechte samenwerking tussen hoofd en leerkrachten vereist.

Door besprekingen op schoolvergaderingen en onderling contact wordt er gestreefd naar de eenheid in de methodiek en vooral, met behoud van ieders persoonlijkheid, naar eenheid in de pedagogiek en het nastreven van voorschriften en geboden.

Vooral bij de overgang naar een andere klas zal er over de leerling contact onderhouden worden tussen betreffende leerkrachten.

Schoolvergaderingen worden eenmaal per trimester gehouden.

De klassenonderwijzer houdt aantekeningen bij over het huisbezoek en het hoofd op de hoogte van de relatie met de ouders en stelt hem in kennis van de gevoerde correspondentie.

Bij ernstig meningsverschil zal het hoofd en/of de leerkracht eerst een beroep doen op het schoolbestuur alvorens de betreffende kwestie buiten de eigen kring wordt gebracht. Dit is natuurlijk zeer belangrijk en voorkomt dat er buiten de school opgeblazen verhalen worden verteld voordat de kwestie terdege bekeken en besproken wordt.

Ook de samenwerking met personen en organisaties die zich op het terrein van de lichamelijke en geestelijke volksgezondheid bewegen, geschiedt met medeweten van en via het hoofd.

 

ad 4. De samenwerking tussen de school en de sociaal pedagogische dienst.
De sociaal pedagogische zorg begint reeds op school. Tijdig voor de leerling de school verlaat, wordt de sociaal pedagoog van de "Cornelius Musius-Stichting" voor Leiden en omstreken gewaarschuwd.

De sociaal pedagoog ontvangt een rapport van de betrokken leerling. Indien mogelijk wordt hij ook ingeleid bij de ouders door de onderwijzer met een gezamenlijk huisbezoek in de laatste maanden van het schooljaar.