Eén woord vooraf: ONDUIDELIJKHEID
Het is wellicht tekenend voor het heden dat zowel mensen
als instellingen graag op zoek gaan naar hun identiteit met vragen als:
Wie ben ik, wat wil ik, hoe, waarom..??
Onduidelijkheid over onszelf is in elk geval het begin
geweest om te gaan werken aan deze nota. En bezig zijnde, ontdekten we dat er
ook bij anderen niet altijd duidelijkheid over ons bestond, of soms ook wel een
duidelijkheid die niet de onze was.
We hebben geprobeerd enkele
uitgangspunten en doelen van en voor ons werk op een rij te krijgen en in
enkele verhalen nader toe te lichten.
Een evaluatierapport van het seizoen
1977/1978 en de bundel statuten plus huishoudelijk reglement completeren ons
beeld van dit ogenblik.
Graag nodigen wij ieder uit met ons mee te denken over ons beeld voor morgen,
waarbij we niet de illusie willen wekken dat het dan “af” zal zijn.
Kandinsky’s woorden:
“Het is nu -meer dan ooit- onmogelijk
een geheel complete theorie te construeren”,
manen tot bescheidenheid.
En als we goed luisteren, kunnen we er misschien in
horen:
“Laat ons vooral ook praktisch blijven.”
We ontvangen heel graag reacties, maar wachten ze niet
af.
Het werk moet vooral doorgaan.
Lisse, 12 september 1978
Het bestuur van de stichting vjv Bollenstreek.
Het vjv stelt zich ten doel één of meer centra te
creëren waar de jonge mens met anderen
kan werken aan de ontplooiing van zichzelf om:
a. duidelijker zicht te krijgen op zichzelf in de maatschappij,
b. doelgerichter te kunnen werken aan zijn levensomstandigheden,
c. een eigen bijdrage te kunnen leveren aan de ontwikkeling van de samenleving,
zodat hij beter kan voldoen aan zijn opdracht als mens.
De doelstelling zal met regelmaat op haar waarde worden
beoordeeld en zonodig in overleg met de externe en interne relaties worden
bijgesteld.
Bij het concretiseren van de doelstelling zal in principe
aangesloten worden op de behoeften van de doelgroepen en de leemten in het
educatieve veld.
Bij het samenstellen van een activiteitenprogramma wordt
primair, doch niet uitsluitend uitgegaan van de doelgroepen en de leemten in
het educatieve veld.
Er wordt niet gekozen voor een exclusieve doelgroep om
beter te kunnen aansluiten in de Bollenstreek en de desintegratiemechanismen
niet te versterken.
Gezien de situatie in de streek en het hiervoor gestelde,
zal het vjv niet slechts een louter educatieve functie hebben, doch ook op het
sociaal-culturele vlak moeten functioneren. De centra zullen daarom dienen als
ontmoetingsplaats voor mensen en gedachten.
Het blijven vervullen van nevenfuncties is zeer wel
mogelijk, doch moet, daar het ten koste kan gaan van het eigenlijke werk,
geschieden aan de hand van een aan te leggen prioriteiten- en voorwaardenschaal.
Het realiseren van de doelstelling zal geschieden in open
overleg met de direct en indirect betrokkenen, met de in- & externe
relaties.
Problemen die de realisering van de doelstelling in de
weg staan, zullen in een zo breed mogelijk veld, mits efficiënt, aan de orde
worden gesteld, alvorens naar een oplossing zal worden gezocht.
Zaken die als belemmerend ervaren worden, zullen primair
binnen de eigen organisatie ter opheffing worden gesteld.
Pas in tweede instantie zullen andere wegen worden gezocht.
Een beleidsnota over werken in/aan voortdurende
ontwikkelingen kan niet dan van voorlopige aard zijn.
De organisatie van het vjv is statutair vastgelegd
binnen de grenzen die de Rijksoverheid
en de Landelijke organisatie hebben bepaald en is nader uitgewerkt in het
Huishoudelijk Reglement van de stichting.
1.2.1 Het bestuur
Het bestuur wordt gevormd door een dagelijks bestuur,
deskundigen voor de stichting van belang en
vertegenwoordigers van deelnemers en werknemers.
In commissies zullen naast leden van het bestuur ook deelnemers, stafleden en
mensen van buiten zitting kunnen hebben.
1.2.2 De staf
De staf wordt gevormd door alle betaalde en onbetaalde medewerkers
die door het bestuur belast zijn met administratieve, organisatorische of
agogische werkzaamheden.
De staf zal in staat zijn, uitgaande van de gestelde beginselen, de
activiteiten agogisch en methodisch verantwoord aan te bieden en te begeleiden.
De staf zal ook moeten kunnen inspelen op de individuele vragen van de
deelnemer.
De staf zal, gezien de beperkende formatieregeling, prioriteit moeten geven aan
het vjv-werk in engere zin, het opzetten en begeleiden van cursussen.
De staf zal ter consolidering van het werk een jaarplan opstellen, waarin op
basis van afgeleide werkdoelen activiteitenplannen kunnen worden opgenomen,
welke tweemaal per jaar geëvalueerd zullen worden.
1.2.3 De centra
Het instituut beschikt op dit moment over twee centra, t,w,: “t
Krebol in Hillegom en Qbus in Lisse. Daarnaast is er, in het verleden wat
duidelijker dan nu, een werkpunt in “De Stormbal”in Sassenheim.
Om tot een noodzakelijke consolidatie van het werk te
komen, worden bij de werkuitvoering prioriteiten gelegd in Hillegom en Lisse.
Het werkpunt in Sassenheim is in overleg met de stichting
Interkerkelijk Jeugdwerk Sassenheim op de “waakvlam” gezet en zal zo blijven
tot er voldoende perspectieven zijn om het werk weer op te nemen.
Het werk zal in Hillegom beperkt gestalte krijgen tot de
accommodatie aan redelijke eisen voldoet, zodat het werk beter uit de verf kan
komen.
De per centrum ingestelde centrumraad zal met de
bevoegdheden en taken, zoals neergelegd in het Huishoudelijk Reglement, moeten
leren werken en zich daarmee een duidelijke positie verwerven in de
organisatie.
Per centrum dienen minimaal een full- & een half-time
medewerker beschikbaar te zijn.
Bij het starten van een nieuw centrum zullen de volgende
voorwaarden gesteld worden.
a. de plaatselijke overheid zal overeenkomstig de geldende regeling het werk
moeten subsidiëren.
b. de accommodatie zal aan redelijke eisen moeten voldoen.
c. er moet een extra fulltime pedagogische medewerker kunnen worden aangesteld.
d. een behoefte onderzoek dient de
verwachting te rechtvaardigen, dat er voldoen de vraag is naar het werk.
Indien omstandigheden dat noodzaken, of op verzoek van
derden, kunnen activiteiten ook buiten de centra worden opgezet en begeleid.
Kaders waarbinnen wordt geprogrammeerd zijn de
Programmavoorschriften van de landelijke organisatie en het door de minister
gestelde in de subsidieregeling.
In het programma-aanbod zal duidelijk moeten zijn, dat elk onderdeel geen doel
op zich, maar middel is ter verwezenlijking van de doelstelling.
De ingestelde onderzoeken naar vrijetijdsbesteding,
leermotivatie en oriëntatie zullen getoetst en voorgezet worden, teneinde hun
waarde als leidraad voor programmering
niet te verliezen.
Programmavragen die vallen binnen onze vjv-termen zullen mits aan de materiële
voorwaarden kan worden voldaan, door ons opgenomen worden.
Tweejaarlijks, in de maanden november en maart zal er een deelnemersoverzicht
gemaakt worden, uitgewerkt naar plaats, activiteit, leeftijd en beroep.
De programma uitvoering zal geschieden in open overleg
met de deelnemers, wat zijn beslag krijgt in het activiteitenplan, welk voor
elke activiteit zal worden gemaakt.
Tussentijdse veranderingen of bijstellingen van de
programma’s zullen via evaluaties worden doorgevoerd nadat de betreffende
deelnemers en de staf dit hebben besloten.
Door het betreffende staflid zullen tijdig het
activiteitenplan, de tussentijdse evaluaties met mogelijke
programmabijstellingen en de eindevaluatie gemaakt worden.
Er zal een sociaal-culturele en -educatieve kaart worden
samengesteld waarnaar verwezen kan worden voor programma’s die niet kunnen
worden uitgevoerd binnen ons instituut of die een follow-up elders behoeven.
Om beter aan programmavragen te kunnen voldoen zal er bij
betreffende instanties op aangedrongen worden, de gastdocentenregeling te
verruimen.
Bij programmering zal getracht worden altijd uit te gaan
van de door de deelnemer beleefde werkelijkheid.
De deelnemer met zijn ervaringen, interessen en verwachtingen is de enige die
een organisch vormingsproces kan inzetten.
Via de landelijke organisatie moeten bij de Minister de
knelpunten duidelijk gemaakt worden die in het werk op zich nog kansarm doen
zijn.
De nieuwe educatieve ontwikkelingen die
interdepartementaal zijn geëntameerd, zullen nauwlettend gevolgd worden opdat
ze niet leiden tot een verdere verscholing van de maatschappij waardoor
vormingselementen verdrongen kunnen raken.
In de gemeenten van ons werfgebied zal geprobeerd worden
de relatie uit de wat eenzijdige, financieel-technische sfeer te halen door
waar mogelijk mee te werken aan de nieuwe educatieve ontwikkelingen op
plaatselijk/regionaal niveau.
We zijn van mening dat de Bollenstreekgemeenten an sich
te klein zijn voor een totaal welzijnsvoorzieningenpakket op lokaal niveau.
Zeer nauwe samenwerking tussen de gemeenten en afstelling van de educatieve
plannen op elkaar is daarom noodzaak, wil een zekere diversiteit en
pluriformiteit regionaal gewaarborgd zijn.
Daar de minister subsidiëring tot 97,5 % toestaat, zal de
gemeenten gevraagd worden hun bijdrage te bepalen tot 27,5 % van de subsidiabele
lasten, zodat er iets meer ruimte ontstaat voor een investeringsbeleid.
Er moet tevens een betere voorschotregeling met een
aantal gemeenten getroffen worden om de liquiditeitspositie gezond te krijgen
en te houden.
1.4.2
Plaatselijke en regionale instellingen.
Wij zijn voorstander van een overlegsituatie op regionaal
niveau voor sociaal-culturele & -educatieve instellingen, ten einde het
werk te optimaliseren, de werkzaamheden op elkaar te kunnen afstemmen en
leemten op te vullen.
Voorshands is het vjv tegen de gedachte om meer
werksoorten in de stichting onder te brengen.
Het vjv is bereid mee te werken in, of het initiatief te
nemen tot werkgroepen op lokaal niveau ter voorbereiding van een educatief
plan.
Om het vjv beter ingang te doen vinden bij de
doelgroepen, zal geprobeerd worden in
overleg met de directies van het LBO en MAVO de laatstejaarsleerlingen voor zij
de school verlaten nader te informeren.
In overleg met het bedrijfsleven, instellingen met jonger
personeel en het GAB zal getracht worden jonge werknemers en werklozen te
informeren en te interesseren voor het vjv.
Het vjv gaat in zijn beleid uit van de gedachten en
adviezen die de landelijke organisatie stelt in:
“Beleidsuitgaven en doelstellingen met betrekking tot de nieuwe educatieve
voorzieningen”(juni 1976).
“Nota personeelsbeleid”(december 1976)
“Onderhandelingspakket Interim Subsidiesysteem”(juni 1978)
“Beleid t.a.v. nieuwe educatieve ontwikkelingen”(juni 1978)
met dien verstande, dat aleer het vjv zich erop beroemt “onmisbare
basisvoorziening” te zijn, het met goed gevolg zal moeten hebben gewerkt aan
het opheffen van de belemmeringen die het ondervindt bij het concretiseren van
het werk aan de basis, daar derden niet altijd
even spontaan tot een dergelijke kwalificatie komen.
Wij zullen trachten te voorkomen, dat de ontwikkelingen
binnen de landelijke organisatie zullen leiden tot een ontoelaatbare
technocratisering van het vormingswerk.
4.3.3. Wij zijn
van mening dat de landelijke organisatie primair een service-instituut is voor de plaatselijke centra, die zullen
moeten kunnen bepalen op welke wijze door hen gestelde werkzaamheden moeten
worden uitgevoerd.
De gestelde beleidsuitgangspunten & -doelen zullen jaarlijks tijdens de Algemene Vergadering besproken en opnieuw vastgesteld worden.
2. VAN BEMINNELIJKE MOEDER NAAR JONGE VOLWASSENE
Het huidige vjv-bollenstreek is voortgekomen uit de in
1951 opgerichte stichting Rooms Katholieke Mater Amabilisschool
te Lisse. Deze stichting ontplooide haar activiteiten binnen de huishoudschool
ten behoeve van rooms-katholieke meisjes in de leeftijdsgroep van 17 tot 23
jaar.
Aan het eind van de jaren zestig begon in het gehele land de belangstelling voor
dergelijke instellingen met sprongen achteruit te gaan.
De landelijke organisatie van M.A.-scholen stelde dan ook in overleg met de
minister van Onderwijs het plan op, de M.A.-scholen in een vijf jaar durend
experiment om te bouwen tot een meer geavanceerde werkvorm:
het VJV, vormingswerk voor jong volwassenen.
Dit experiment ging in 1968 in.
In 1971 verhuist de M.A.-school Lisse samen met het pas opgerichte
Jongerencentrum Lisse naar een gebouw van Openbare Werken, dat omgedoopt wordt
tot “Qbus”.
In september van datzelfde jaar ontvangt men toestemming van de minister van
onderwijs, over te schakelen op het vormingswerk voor jonge volwassenen. In
1972 treedt het traditionele M.A.-bestuur (Directrice Huishoudschool, de
directeur van de Middelbare School en de notaris van het dorp) af en draagt
haar verantwoordelijkheden over aan het bestuur van de stichting
Jongerencentrum Lisse.
Dit bestuur besluit na enige tijd om de dan nog bestaande scheiding tussen de
vormingsactiviteiten door de week en de jongerencentrum in het weekend
organisatorisch op te heffen en verder door het leven te gaan als
“vormingscentrum Qbus.”
Na rijp beraad wordt er door het bestuur een doelstelling geformuleerd, die ook
nu nog in de statuten is terug te vinden:
“De stichting stelt zich ten doel één of meer
centra te creëren waar de jonge mens met anderen kan werken aan de ontplooiing
van zichzelf ten einde:
- duidelijk zicht te krijgen op zichzelf in de maatschappij;
- doelgerichter te kunnen werken aan zijn omstandigheden;
- een eigen bijdrage te kunnen leveren aan de ontwikkeling van de samenleving,
zodat hij beter kan voldoen aan zijn
opdracht als mens.”
De motivatie bij deze doelstelling was de volgende:
“Het bestuur heeft de overtuiging dat de huidige maatschappij vraagt om een mentaliteitsverandering daar de mens zijn
heil niet kan bereiken zonder de ander of ten koste van de ander, maar alleen
door het heil van de ander na te streven.”
In september 1972 wordt begonnen met het geven van cursussen in de Stormbal te
Sassenheim. In dit jaar ontstaat ook de ideeën over een vjv-bollenstreek.
Hierbij werd in eerste instantie gedacht aan een fusie met vjv-centrum De Mast
in Noordwijkerhout.
Het bleek echter niet zo eenvoudig om twee qua sfeer en deelnemers nogal
verschillende centra aaneen te smeden. De fusieplannen verdwijnen voor
onbepaalde tijd in de ijskast. Er blijft echter een samenwerking op stafniveau
die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Er wordt afgesproken dat De Mast zich zal richten op het gebied ten westen van
de spoorlijn Haarlem-Leiden: de Duinstreek.
Qbus zal zich dan bezig houden met het gebied ten oosten van deze lijn: De
Bollenstreek.
In september 1974 wordt er in Hillegom
in samenwerking met een plaatselijke werkgroep en na overleg met het College
van B&W gestart met het werkpunt Krebol in het KWJ-gebouw, een
ontmoetingsaccommodatie voor katholieke, werkende jongeren.
Dit groeit al snel uit tot een kompleet centrum met een geheel eigen sfeer,
vooral als in augustus 1975 de bovenverdieping van villa Remina betrokken kan
worden.
Ondertussen is de commissie “keesstudie” begonnen met het bestuderen van de
diverse structuurmodellen die bruikbaar zouden kunnen zijn voor de
langzamerhand regionaal geworden organisatie.
November 1975 besluit de gemeenteraad van Lisse na overweging van vele
alternatieven tot nieuwbouw van het steeds bouwvalliger wordende Qbus.
Op voorstel van de kommissie Keesstudie wordt begin 1976 begonnen aan de
herstructurering van de organisatievorm.
Speciale aandacht krijgen hierbij de bestuursorganisatie en de centrumraden.
Doel is, te komen tot een gedemocratiseerde, regionale opzet.
In mei 1976 vinden de statutenwijzigingen plaats en is het vjv-bollenstreek
officieel een feit geworden.
In 1976 blijft het door velerlei oorzaken steeds moeilijker om het werk in De
Stormbal op verantwoorde wijze te doen plaatsvinden.
Begin 1977 wordt dan ook in overleg met
de Stichting Interkerkelijk Jeugdwerk Sassenheim besloten de werkzaamheden
daar, althans voorlopig, op te schorten.
Rond deze tijd treedt ook het huishoudelijk reglement van de stichting in
werking. Hiermee is de in 1976 begonnen structuurwijziging afgerond en heeft
het vjv-bollenstreek zijn huidige gedaante gekregen.
3.0 algemeen
Het VJV kent een stichtingsvorm en heeft als zodanig een bestuur en
stichtingsstatuten. De nadere uitwerking van de statuten wordt gegeven onder
andere in het huishoudelijk reglement. Hierbij worden o.a. de structuur en
werkwijze van de organisatie nader bepaald.
Juridisch gezien vormt het bestuur het hoogste orgaan binnen de stichting. De
aard van het vormingswerk en de doelstellingsmotivatie van de stichting nopen
echter tot een wat meer democratische structuur.
Het vormingswerk jonge volwassenen wil namelijk een leerschool zijn voor
democratie, door de deelnemers in staat te stellen een eigen
verantwoordelijkheid te dragen en hen de gelegenheid te geven ervaringen op te
doen met organisatorische en bestuurlijke bezigheden. Ervaringen die van groot
belang zijn in een maatschappij waarin “decentralisatie”, “participatie”,
“democratie” & “medezeggenschap”, veelgehoorde kreten zijn.
Vanuit deze gedachte is een organisatiestructuur ontstaan waarin zich een viertal
geledingen laat onderscheiden:
- de deelnemers, verspreid over de diverse centra
- de centrumraden, in elk centrum één
- de staf
- het bestuur.
De centra kennen een vorm van zelfbestuur door middel van
centrumraden. In deze raden zijn op democratische wijze deelnemers, staf en
bestuur vertegenwoordigd. Daarnaast hebben staf, centrumraden en deelnemers elk
een vertegenwoordiging in het bestuur. De verantwoordelijkheden binnen de
organisatie zijn als volgt over de geledingen verdeeld.
Het bestuur is verantwoordelijk voor de juridische en subsidietechnische zaken,
het personeelsbeleid en het beleid van de stichting in het algemeen.
De staf draagt de verantwoordelijkheid voor de activiteitenprogramma’s, de
administratie, de correspondentie en de kontakten met andere organisaties en
instellingen.
De centrumraden vertegenwoordigen de deelnemers in overlegsituaties binnen de
stichting en bepalen samen met staf en bestuur de activiteitenprogramma’s.
Ook de inrichting en aankleding van het centrum wordt door hen in overleg met
de staf verzorgd.
Zij kunnen het bestuur gevraagd en ongevraagd van advies dienen.
Het vjv-bollenstreek onderhoudt sinds jaar en dag een
samenwerkingsverband met de stichting Jongerencentrum Lisse.
Deze stichting beheerst o.a. de kantinefaciliteiten in Qbus en Krebol en wordt
in het nieuwe gebouw van Qbus de
medehuurder. Het ligt in de bedoeling om aldaar via deze stichting activiteiten
te ontplooien waarvoor binnen het vjv beleidsmatig geen ruimte is.
Hierdoor kan gedacht worden aan een jeugdsoos (14 tot 16 jaar) en diverse
culturele activiteiten. Dit is uiteraard alleen mogelijk indien er duidelijke
afspraken bestaan tussen beide stichtingen over de wederzijdse
verantwoordelijkheden, iets wat in het verleden ondanks de hoge graad van verwevenheid
van de beide besturen, toch nog niet tot volle tevredenheid van beide partijen
gelukt is.
In februari 1976 werden op advies van een interne
commissie de bestuurssamenstelling en de taakverdeling binnen het bestuur
ingrijpend gewijzigd. Dit heeft in de twee jaar dat deze vernieuwde opzet van
kracht is een duidelijke verbetering
gebracht in het bestuurlijk functioneren.
Om een of ander te optimaliseren zal het bestuur in de
toekomst meer nog dan in het verleden gebruik maken van de mogelijkheid om
speciale bestuurscommissies in te stellen. Deze commissies zullen een
besluitvoorbereidende en uitvoerende taak hebben.
Het lidmaatschap van een dergelijke commissie zal niet
gebonden zijn aan het bestuurslidmaatschap.
Afhankelijk van opdracht en werkterrein van de
desbetreffende kommissie kunnen ook staf- en centrumraadsleden, deelnemers of
andere terzake kundige personen gevraagd worden in de kommissie plaats te
nemen.
Volgens de statuten wordt de staf door het bestuur
aangetrokken ter uitvoering van de uit de doelstelling voortvloeiende
werkzaamheden.
Het huishoudelijk reglement noemt in dit verband:
het uitvoeren van het bestuursbeleid,
het in overleg met de centrumraden en het bestuur opstellen
van een activiteitenprogramma en het uitvoeren van dit programma.
Het voeren van administratie en correspondentie.
Het beheren en onderhouden van het materiaal en de ruimte
die de stichting ter beschikking staan.
Over de samenstelling van de staf lezen we verder dat
deze bestaat uit:
een directeur, agogische medewerkers, technische en
administratieve medewerkers.
Door het subsidiesysteem, de veelheid van subsidiegevers,
(in 1977 naast het rijk nog eens 16 gemeenten), de kontakten met vele organisaties
en instellingen binnen en buiten de regio en de ontwikkeling van het
vjv-Bollenstreek die wel eens met groeistuipen gepaard ging, is de
directeursfunctie binnen onze organisatie momenteel niet weg te denken.
Onder deze functie vallen onder andere, het coördineren
van alle werkzaamheden, de organisatieplanning, het leiden en begeleiden van de
stafactiviteiten, het onderhouden van kontakten met andere instellingen en de
overheden, het adviseren van het bestuur, het volgen van ontwikkelingen op
sociaal-cultureel en educatief vlak.
Ten einde het totaal van werkzaamheden overzichtelijker
te maken, wordt er jaarlijks door de staf een werkplan en een taakverdeling
opgesteld. Aan de hand van dit werkplan en de respectievelijke
subdoelstellingen van de activiteiten worden de zogenaamde activiteitenplannen
opgesteld.
Deze planningen worden als basis gebruikt bij de
regelmatig terugkerende evaluaties.
Op deze wijze kan er meer lering getrokken worden uit de opgedane ervaringen,
terwijl de evaluaties ook overzichtelijker en waardevoller worden.
Van de stafleden wordt gevraagd dat zij de
groepsactiviteiten kunnen plannen en opzetten, het groepsproces kunnen
begeleiden en vervolgens evalueren. Daarbij dienen zij een open oog te hebben
voor de wensen en problemen van de individuele deelnemer. He vormingswerk leent
zich dan ook niet voor een al te strakke structurering door b.v. een vast jaarprogramma
en stringente programmavoorschriften. Steeds opnieuw moet er bij de
vormingsprogramma’s worden ingehaakt op de eigen ervaring en belevingswereld
van de deelnemer.
Dit stelt hoge eisen aan de agogische capaciteiten en het methodisch inzicht van de vormingswerker
Wanneer we hierbij ook nog de lange werktijden betrekken,
dan mogen wij gerust stellen, dat een hoge mate van persoonlijke inzet en een
flinke dosis idealisme nodig zijn naast de al eerder genoemde deskundigheden.
In het verleden is er regelmatig een beroep gedaan op het vjv-bollenstreek om
activiteiten te ontplooien op terreinen die niet direct onder de vjv-normen
vallen. Vaak waren dit activiteiten die zeer zeker binnen onze doelstelling
vallen en die we graag op ons zouden nemen.
Door de beperkte financiële middelen en niet in het minst door de beperkingen
van het subsidiesysteem en de formatieregeling die voor de staf van kracht
zijn, ziet het bestuur zich genoodzaakt de staf prioriteit te laten schenken
aan de specifieke vjv-activiteiten.
Voor zover mogelijk zullen we de diverse nevenfuncties blijven uitoefenen. Deze
nevenfuncties ontstaan meesttijds door het ontbreken van bepaalde voorzieningen
binnen de plaatselijke samenleving.
Uit het verleden zijn hiervan voorbeelden te noemen als:
de hulp verleend bij het opzetten van de stichting vormingswerk volwassenen, de
opvang van
14- tot 16-jarigen, de open jongerencentrum functie van zowel Qbus als Krebol,
het verzorgen van videoprogramma’s voor verenigingen en scholen en niet in de
laatste plaats de individuele hulpverlening.
Door de beperkte financiële en personele middelen zijn we echter genoodzaakt
hierbij uit te gaan van een prioriteitenschaal.
Hierin zal rekening gehouden worden met de factoren als:
doelstelling en doelgroep
beschikbare ruimte, staf, materiaal en
kennis,
aanwezigheid van andere organisaties die deze
functie zouden
kunnen opnemen,
financieringsmogelijkheden,
het sociaal-cultureel activiteitenplan van de
gemeentelijke overheid.
Het op de juiste wijze hanteren van een dergelijke prioriteitenschaal kan een
overbelasting van de staf en vrijwillige medewerkers voorkomen en de kwaliteit
van de werkuitvoering verbeteren.
Momenteel kent het vjv –Bollenstreek de centra Qbus in Lisse en Krebol in
Hillegom.
Daarnaast bestaat er nog het werkpunt Stormbal in
Sassenheim.
Het afgelopen jaar heeft het bestuur zich genoodzaakt gezien om in overleg met
de stichting Interkerkelijk Jeugdwerk Sassenheim het werk in de Stormbal
tijdelijk op te schorten.
De oorzaken hiervoor zijn velerlei, de voornaamste redenen zijn wel:
a. langdurige ziektegevallen in de staf
b. de snelle groei van het werk in Hillegom.
c. het wat moeizaam op gang komen van
het werk in De Stormbal.
Door de noodzaak van een verdere institutionalisering van
het Krebol in Hillegom en de herbouw van het verbrande Qbus in Lisse zal ook de
komende tijd het zwaartepunt van de activiteiten van het vjv in Hillegom en
Lisse liggen.
Toch leeft binnen het bestuur een goede hoop, mede door de
positieve houding van de gemeente Sassenheim, binnen twee jaar in staat te zijn
het vormingswerk in Sassenheim een nieuwe impuls te geven.
Het bestuur heeft de stichting Interkerkelijk Jeugdwerk
Sassenheim enige tijd geleden al gevraagd hierbij haar medewerking te verlenen
door een regelmatig overleg te creëren tussen de beide stichtingen en De
Stormbal die zich bezighoudt met het organiseren van activiteiten voor jongeren
van 17 jaar en ouder.
In Hillegom, waar enerzijds de accommodatie zodanig is
dat een gemiddelde groepsgrootte van 13 mensen onhaalbaar is, anderzijds de
behoefte aan een open jongeren centrum door een dominant groepje nogal eens
conflictueus kenbaar gemaakt wordt, zal in afwachting van een noodzakelijke
verbouwing het werk worden beperkt tot één cursus per avond.
Met een aantal, daarvoor enthousiaste jongeren zal getracht worden een goede
oplossing te vinden voor de problematiek van het open jongerenwerk.
Zowel in Qbus als in Krebol functioneren nu al enige tijd
de zogenaamde centrumraden, zij het met een wat wisselend succes.
Met de plaats die door het in begin 1977 van kracht geworden huishoudelijk
reglement aan de centrumraden wordt toegekend binnen de organisatie van het vjv
is een nieuwe impuls gegeven aan de centrumraden.
De beide raden zijn dan ook enthousiast aan het werk geslagen om hun positie
als plaatselijk bestuur waar te maken.
Toch is voor veel deelnemers de centrumraad nog een wat onduidelijke zaak. Het
is de bedoeling dat de deelnemer gaat ervaren dat de centrumraad er voor en
door hem is; dat hij daarmee zelf een actief aandeel kan hebben in het reilen
en zeilen van het centrum.
De komende jaren zal de institutionalisering van de centrumraad binnen het
centrum een feit moeten worden.
Naast een goed functionerende centrumraad is de
aanwezigheid van een vaste fulltime agogische medewerker van groot belang.
Uit ervaringen opgedaan zowel in Hillegom
als in Sassenheim is gebleken dat
zonder een dergelijk “rustpunt” in een centrum al heel snel onduidelijkheden
ontstaan over taakverdeling en verantwoordelijkheden. Ook voor het in evenwicht
blijven van de verhoudingen tussen de diverse groeperingen en stromingen binnen
een centrum kan een dergelijk persoon veel doen.
Terwijl de invloed van een vaste werker op de
gezichtsbepaling en de duidelijkheid van centrum en werk naar de plaatselijke
samenleving toe, niet onderschat kan worden.
Nieuwe centra.
De ervaringen van de afgelopen jaren in Hillegom en
Sassenheim en al wat langer geleden in Lisse hebben ons geleerd dat de start van
een centrum slechts succesvol kan verlopen door grote inspanning en inzet van
staf, bestuur, vrijwillige medewerkers en niet in het minst de deelnemers.
Dit is iets waar het subsidiesysteem in niet
onbelangrijke mate toe bijdraagt, omdat je eerst “uren” moet maken voordat er
subsidie komt. Subsidie die je hard nodig hebt om de ruimte te huren, het
materiaal te kopen en de staf aan te stellen die je juist nodig hebt om uren te
kunnen maken.
Er wordt bij het opzetten van een nieuw centrum dus een
aanzienlijke investering gevraagd van tijd en geld, dat daarvoor onttrokken
moet worden aan de andere centra van de stichting.
Dit alles met het risico dat er na korte of langere tijd
toch afgehaakt moet worden, wat zeer zeker niet denkbeeldig is.
Dit kan niet alleen een teleurstelling of zelfs
demotivatie bij staf, bestuur en deelnemers ten gevolg hebben, doch ook het
gedwongen ontslag van de vormingswerker.
Het is dus zaak de risico’s zo klein mogelijk te houden door bijvoorbeeld bij het opzetten van
een centrum eerst te onderzoeken of bepaalde primaire voorwaarden vervuld zijn.
Dergelijke voorwaarden zijn:
de bereidheid van de plaatselijke overheid om
het werk te subsidiëren volgens de
vigerende, landelijke regeling;
de aanwezigheid van een geschikte accommodatie;
de mogelijkheid om een fulltime agogische
medewerker en een parttimer in het nieuwe centrum te stationeren;
de aantoonbaarheid van voldoende vraag naar
onze werksoort.
Als we het over onderzoek hebben,
dan denken we daarbij vooral aan het verzamelen van informatie. Bijvoorbeeld
informatie over de doelgroep, over mogelijkheden van programmeren, over de
effectiviteit van de cursus, redenen waarom met een cursus wordt gestopt, enz..
We zien onderzoek als een noodzakelijke voorwaarde voor
de kwaliteitsverbetering van het vormingswerk. Jammer genoeg zijn we er in de
afgelopen jaren nog niet voldoende aan toegekomen. Ook wat dit betreft is er
een relatie tussen subsidietechnische oorzaken en onderbezetting van de staf.
Een uitzondering hierop vormen twee onderzoeken, die
verricht werden in samenwerking met studenten van het Pedagogisch Instituut van
de Rijksuniversiteit Leiden.
Beide onderzoeken waren gericht op het verzamelen van informatie over de
doelgroep van het vjv-bollenestreek. De onderzoeksvraag luidde:
“Welke zijn de interessen en de behoeften van de groep leerplichtvrije, niet
schoolgaande jonge volwassenen in Lisse ten aanzien van hun vrijetijdsbesteding
en in het bijzonder ten aanzien van het vormingswerk?”
Het eerste onderzoek (mei 1976) was met name gericht op
de interesse- & behoeftepatronen die tot uiting kwamen in het
vrijetijdsgedrag.
D.m.v. een enquête werd informatie verzameld met betrekking tot dat gedrag en
een aantal algemene kenmerken, zoals: leertijd, opleiding, enz.
Een algemeen beeld dat bij dit onderzoek naar voren kwam
was, dat men zijn vrije tijd voornamelijk besteedde in de eigen vrienden- &
familiekring. Hierbij lag de nadruk meer op de gezelligheid dan op doelgerichte
kernactiviteiten. Studeren werd laag gewaardeerd.
Verder bleek, dat ongehuwden vaker een cursus volgden dan gehuwden en dat er
bovendien een sterke nadruk lag op scholingscursussen.
Een ander opmerkelijke uitkomst was, dat degenen die geen politieke voorkeur
hadden, vaak passief waren in hun vrije tijdsbesteding
(tv-kijken of grammofoonplaten draaien scoorden hoog; weinig actieve
sportbeoefening).
Bij nadere analyse bleek deze groep voor de helft uit LBO-ers te bestaan,
terwijl de andere helft gelijkmatig over de resterende opleidingsniveaus
gespreid lag.
Op grond van deze gegevens stellen wij dat het vjv in
Lisse (daar vond het onderzoek plaats) een functie kan en moet vervullen, met
name waar het gaat om het aanbieden van mogelijkheden die leiden tot actief bezig
zijn en meer ontwikkeling, zonder dat dit uitmondt in een strak lesprogramma
met een schools karakter en ten koste gaat van de gezelligheid.
Vooral de groep met een lager opleidingsniveau zal meer aandacht moeten
krijgen. We dienen ons hierbij wel te bedenken, dat deze groep zowel uit
ouderen als jongeren bestaat.
Het tweede onderzoek, dat in mei 1977 plaatsvond,
verzamelde informatie omtrent de leer-oriëntatie & -motivatie van de
respondenten, die overigens afkomstig waren uit dezelfde populatie als die van
het eerste onderzoek.
Ook deze respondenten hadden over het algemeen
een lagere opleiding. Slechts 13% had als hoogst afgemaakte opleiding:
MMS, HAVO of VWO.
In dit onderzoek werd de geïnterviewden gevraagd betreffende een aantal redenen
om te leren aan te geven, in hoeverre deze voor hen belangrijk waren. U ziet in
het volgende de redenen aangegeven in de generale volgorde van belangrijkheid.
- om iets te kunnen
doen voor andere mensen
- om samen met andere mensen bezig te zijn
- om naast werk ook nog iets anders te doen
- omdat leren gewoon fijn is
- om hogerop te komen in het werk\
- om verder te kunnen leren
- om wat te doen te hebben
- om wat meer over mijzelf na te denken
- om meer over politiek te weten
- om met belangrijke mensen in contact te komen
Ook hier komen het samen iets doen en de ontspanning als
belangrijke factor naar voren. Dit in tegenstelling tot factoren als
individuele bezinning en politieke betrokkenheid.
Wat de twee uitersten betreft kan men zich afvragen o de
geldende sociale normen niet te zeer bepalend zijn geweest, ten nadeel van de
individuele mening.
De informatie over de interessen van de respondenten
geeft een aantal uitschieters naar boven en beneden te zien.
Veel werden genoemd:
gezellig bij elkaar zijn
algemene ontwikkeling
kleren en sieraden maken
E.H.B.O.
stijldansen
films kijken
fotografie
pottenbakken
engels
Weinig werden genoemd:
huwelijksproblemen
kunstgeschiedenis
rekenen
iets uitbeelden door beweging
hoe ontstaan huurverhogingen
meditatie
krant maken
De laatstgenoemde onderwerpen hebben een iets meer
intellectuele inslag als de eerstgenoemde. We geloven, dat hier een duidelijke
grens wordt aangegeven met betrekking tot onderwerpen die voor de doelgroep wel
en niet herkenbaar zijn.
Het spreekt voor zich, dat de informatie die deze onderzoeken hebben
opgeleverd, relevant en bruikbaar is bij het programmeren. Juist daarom willen
wij het doen van onderzoeken stimuleren. Dit ter verbetering van de kwaliteit
van ons werk, dat hierdoor beter kan aansluiten in activiteitenkeuze en
methodische aanpak.
Degene die gedetailleerder informatie wenst, verwijzen we
naar de onderzoeksrapporten:
“Vrije tijd: wat willen we ermee?” deel 1 en 2.
5.1 EDUCATIEF PROGRAMMEREN
In zijn boekje “educatieve programma’s maken” omschrijft
Hinnekint educatieve behoeften als:
“Tekorten in het feitelijke of toekomstige handelen die d.m.v. leerprocessen
kunnen worden opgelost.
Hiervan is pas dan sprake, als tekorten in
het handelen terug te voeren zijn op tekorten in het weten, het kunnen
of in attitude t.o.v. mensen, gebeurtenissen, waarden etc.
We zijn ons ervan bewust dat het woord “tekort” bij velen negatieve gevoelens
oproept.
Dat deed het in eerste instantie bij ons ook.
Toch is de ervaring “te – kort – te – schieten” heel alledaags en aan iedereen
bekend.
Velen van ons weten te weinig van techniek af om een televisietoestel te
repareren. Anderen zullen het gevoel hebben te kort te schieten als blijkt dat
zij hun politieke keuze niet goed hard kunnen maken of als zij hun loonstrookje
niet kunnen lezen; of als je kinderen vraagt waar Huizen ligt en je weet het
zelf niet; of als je als kind behandeld wordt, waar je aan wilt ontkomen en je
weet niet hoe.
Zo zijn er nog legio voorbeelden te noemen. Het is volgens ons erg belangrijk
tekorten op een positieve manier te benaderen. Ze te accepteren en te proberen
er iets aan te doen.
De cursussen die de afgelopen zeven jaar door ons verzorgd zijn, grepen aan op de meest verschillende
educatieve behoeften. Voor sommige werd dit duidelijk omschreven voor anderen
niet. Zo sloot de derde werkgroep aan op een tekort in het weten door het
besluit zich te verdiepen in de historische ontwikkelingen van het
wereldgebeuren.
De medewerkster van yoga schreef in een van de
evaluatierapporten: “Yoga probeert mee te helpen een groeiproces op gang te
brengen, dat leidt tot het beter benutten van de eigen mogelijkheden in het
dagelijks leven.”
Hiermee sloot zij aan op een tekort in het kunnen benutten van de eigen
mogelijkheden, maar ook op een tekort in de kennis van de eigen mogelijkheden
en de waardering hiervan.
Cursussen als Algemene Ontwikkeling en Engels waren
vooral gericht op het opheffen van tekorten m.b.t. het weten.
Terwijl de laatste ook een duidelijke functie had t.o.v. het aanvoelen van
waarden, getuige de vele discussies die gevoerd werden.
Hinnekint maakt o.i. terecht een onderscheid tussen
subjectieve behoeften d.w.z. het tekort wordt aangevoeld
door iemand buiten de betrokkene zelf . Zo waren er deelnemers die zich bewust
waren van het feit dat zij de Nederlandse taal slecht beheersen en om die reden
naar ons toe kwamen. Maar ook werden de tekorten wel eens aangevoeld door de
medewerkers en startten zij een nieuwe cursus.
Niet altijd was het succes even groot. Het bleek ook wel dat men verkeerd had
aangevoeld met alle gevolgen van dien.
Ook is er verschil in de mate waarin behoeften d.w.z. tekorten bewust ervaren
waren. Hinnekint spreekt van latente en manifeste behoeften. In het eerste
geval wordt de behoefte niet bewust ervaren door de betrokkene zelf, of door
mensen buiten de betrokkene. In het tweede geval zijn de tekorten wel bewust
ervaren door de betrokkene of door mensen buiten hen. In de praktijk is de
scheiding tussen wel of niet bewust niet zo sterk. We hebben vaker te maken met
een bewustwordingsproces, waarin evt. tekorten in het weten, het kunnen of het
aanvoelen van waarden manifest worden.
Zo’n proces kan in gang gezet worden door een gesprek aan de bar, door een keer
meedoen in de spelgroep, door het lezen van een folder of door ervaring in het werk of thuis, enz.
Het begeleiden en stimuleren van dit proces is een belangrijk aspect van het
werk. Ook dit is een vorm van educatieve arbeid, dat door Hinnekint omschreven
wordt als “doelgerichte systematische arbeid die in een samenleving wordt
verricht om mensen te helpen bij het leren”.
Wanneer iemand educatieve arbeid verricht, ontkomt hij
niet aan het doen van keuzen.
Ook wij niet.Zo hebben wij primair gekozen voor mensen met een lager
opleidingsniveau. Niet alleen omdat zij veel moeite hebben met het verkrijgen
van een eigen beeld op zichzelf in de samenleving en het vinden van eigen
antwoorden op vragen als:
hoe sta ik tegenover mijn werk, collega’s, vrienden, ouders, maatschappelijke
ontwikkelingen?
Daar heeft uiteindelijk ieder zo zijn eigen moeite mee.
We hebben die keuze vooral gemaakt, omdat minder
onderwijs zo licht minder kansen geeft, zowel kwalitatief als kwantitatief, om
in situaties te geraken die bewustwording van eigen tekorten toestaan of
stimuleren. En die, wat in feite het belangrijkste is , faciliteiten in zich
dragen om ervaren tekorten op te heffen.
Vaak is sprake van weinig vertrouwen in eigen mogelijkheden; een blijven steken
in vooroordelen en een gevoel van machteloosheid.
Wij vinden dat mensen met minder onderwijs recht hebben
op voorzieningen die hen in de gelegenheid stellen alsnog eigen tekorten bewust
te worden en op te heffen.
Het vjv lijkt ons bij uitstek hiervoor geschikt. Onze
programma’s zullen dus moeten aansluiten bij door hen beleefde, educatieve
behoeften.
Een tweede keuze wordt ons opgelegd door de
subsidieregeling, die slechts van toepassing is voor mensen tussen 17 en 30
jaar.
Het spreekt voor zich, dat elke leeftijdsperiode zijn specifieke tekorten kent.
Zo blijkt dat jongeren die binnenkomen, in eerste instantie behoefte hebben aan
contact, elkaar leren kennen, het opdoen van ervaringen, het bespreken van
ongenoegens met het eigen gedrag. Ouderen zijn overwegend veel sterker gericht
op het aanvullen van tekorten in het weten van dingen, of het aanvoelen van
waarden die van direct belang zijn voor hun levenssituatie.
Toch willen we de bovengenoemde groep door de, als het
goed is, samen opgestelde programma’s niet alleen meer kansen bieden, hun
mogelijkheden te vergroten, of zo men wil te ontplooien. Er is meer.
Bij ons werk willen we uitgaan van een emancipatiebegrip
dat beoogt iemand tot kritische bezinning te brengen op alle afhankelijkheden
en hem weerbaarder te maken tegen hun invloeden, zodat hij een
zelfstandiger en waardiger positie verkrijgt in de maatschappij en tevens
onafhankelijk wordt in zijn functioneren, zijn oordelen, keuren, voelen,
beslissen.
Wij denken hierbij vooral aan:
- afhankelijkheid die ontstaat tengevolge van de machtsuitoefening van
anderen.
- afhankelijkheid die ontstaat door de overheersing van bepaalde sociale behoeften, zoals de behoeften aan
geborgenheid, veiligheid, zekerheid, waardoor de betrokken persoon gevoelig is
voor allerlei bindingen in de pathische sfeer, van welke gevoeligheid anderen
kunnen profiteren.
- afhankelijkheid van informatie, van materiaal voor de opbouw van ons
kennisarsenaal, onze inzichten en
overtuigingen, ook voor de ontplooiing van onze interessen en talenten.
Het gaat hier vooral om de afhankelijkheid van de aard van het materiaal
en van de wijze waarop het wordt aangeboden, b.v. in de reclame, de
propaganda, de voorlichting, het onderwijs enz.
- afhankelijkheid van de eigen persoonsstructuur,
waarin vooral de geleidelijk verworven ( of aangeleerde) en constante
eigenschappen van velerlei soort een belangrijke rol spelen (in de vorm van
zienswijzen, overtuigingen, vooroordelen, voorkeuren, interessen, ideologieën,
gevestigde belangen, gedragsgewoonten, denkgewoonten enz.)
- afhankelijk van instituties, de
rechtsorde, moraal, godsdiensten, ondernemingen, het vjv etc…
De educatieve behoeften waarin we vanuit het vjv kunnen
voorzien liggen in het spanningsveld van enerzijds het weten, kunnen en
aanvoelen van waarden door de deelnemers aan het begin van het vormingsproces
en de daarmee gepaard gaande leerbehoefte; anderzijds van datgene wat wij met
onze doelstelling beogen.
De leerbehoefte dus in (of uit) datgene wat de deelnemer
in zijn dagelijkse levenservaringen meemaakt.
We hebben leerbehoefte eerder aangegeven als de ervaring van een tekort in
kunnen, weten of aanvoelen. We hebben ook aangegeven dat deze ervaring niet
altijd bewust is. Bewuste ervaring van een leemte motiveert tot deelname aan
een bepaald programma, onbewuste ervaring van een dergelijke leemte mondt uit
in een subjectieve aandrang tot activiteit
(b.v. behoefte aan contact, gezelligheid, iets nieuws mee maken etc.)
Uit het voorgaande kunnen we concrete leer- &
werkdoelen distilleren, waarbij we een driedeling kunnen maken: cognitieve
(kennis) aspecten, houdingsaspecten en vaardigheidsaspecten.
Voorbeelden van concrete doelen ter
ontwikkeling van de houdingsaspecten welke uit onze doelstelling voortvloeien:
- waardering van eigen mogelijkheden en bekwaamheden
- interesse voor elkaar
- verantwoordelijkheidsbesef
- geloof in veranderbaarheid
- kritische benadering van eigen oordelen en vooroordelen
- zelfstandigheid
- durf tot nemen van initiatieven
- leren denken in alternatieven i.p.v. te vervallen in regrediënte fantasie
Voorbeelden van concrete doelen ter ontwikkeling van de
vaardigheid-aspecten:
- leren formuleren van gedachten
- leren luisteren naar elkaar
- leren samenwerken
- leren discussiëren
- kritisch waarnemen en nadenken
- kritisch bezien van eigen oordelen en vooroordelen
- sociale oriëntatievermogen (kunnen situeren van problemen en ervaringen)
- oorzakelijk denken ontwikkelen
- leren zelfstandig informatie te verwerven en verwerken
- leren verantwoording te dragen
- leren denken in alternatieven
- ontwikkelen van eigen alternatieven
- ontwikkeling van het organisatievermogen
Voorbeelden van concrete doelen ter ontwikkeling van het
cognitieve aspect:
Het gaat hier om de inhoudelijkheid van de programma’s
waarbij we ons voorstellen informatie, kennis te verstrekken over hoe de
samenleving om ons heen is opgebouwd, door welke mechanismen zij zich
ontwikkelt (en in stand houdt), op welk sociaal waarden- & normensysteem
zij gebaseerd is;
kennis die voorziet in de behoefte van de deelnemers om zich een betere
opstelling te verwerven ten aanzien van de eisen van de maatschappij.
Concreet: kennis over en van:
algemene Nederlandse (spreek)taal
werkeloosheid
milieu
huisvestingsproblematiek
militaire dienstplicht
reclame
positie van de vrouw
opvoedingsproblematiek
seksualiteit
eenvoudige economische begrippen
buitenlandse werknemers
politiek
bejaardenzorg etc…
Dit betekent niet dat we “slechts” maatschappijleer of
zuiver alleen kennisprogramma’s moeten aanbieden. Bovengenoemde kennisaspecten
kunnen ook onderdeel zijn van een project fotografie of handenarbeid (tijdens het maken van
lappenpoppen, een poppenkast of kruidenrek, gesprekken (over opvoeding);
in een speelgroep (wat kom ik tegen in de gezondheidszorg waar ik werk?); in
een cursus engels (i.p.v. traditioneel lesmateriaal de krant als onderwerp van bespreking); in yoga
(tijdens de nabespreking over ervaringen als vrouw in de samenleving) enz.
Maar hoe deze cognitieve, houdings- &
vaardigheidsaspecten nu in een aansprekelijk programma te gieten dat zo
aansluit bij emotionele beleving van de deelnemers, dat het hen prikkelt om mee
te doen?
Het programma zal herkenbaar moeten zijn voor de deelnemer; moeten voorzien in
de leerbehoefte. Dit betekent dat we moeten aansluiten op de leermotivatie en
bij de concrete dagelijkse ervaring van de deelnemers.
Het gaat hier om ervaringen die door meerdere deelnemers van een groep gedeeld
en of begrepen worden:
a. concrete ervaringen (ervaringen waar een mening over gevormd is)
b. onbewuste ervaringen
Bij a. staat de mening centraal, bij b. de handeling in
het vormingsprogramma. De eis die hierbij aan de vormingswerker gesteld wordt
is, deze ervaring te kunnen zien in een maatschappelijke context en te kunnen
vertalen in herkenbare kennis en vaardigheden.
Wanneer we hieraan voldoen voorzien we ook in de
affectieve behoefte van de deelnemer.
a. Bepalen van de beginsituatie van de deelnemers in de
groep:
Wat kan, weet en voelt de deelnemer, welke zijn zijn concrete levenservaringen
en achtergronden?
Wat is de motivatie, welke leerbehoeften (cognitief , affectief heeft de
deelnemer?
b. Bepaling van werkdoelen (wat zijn de belangen van de deelnemer?)
c. Bepalen wat de perspectieven zijn voor de deelnemers en waaraan de
“geleerdheden” te toetsen zijn.
d. Uitzetten van de programmalijn:
In hoeverre bepalen de deelnemers mee, dragen zij medeverantwoording voor vorm,
inhoud, organisatie en op welke wijze?
Inbouwen van evaluatiemomenten,
bijsturingmogelijkheden etc….
e. keuze van de werkvormen, technieken, hulpmiddelen & materialen:
(discussie, lezing, rollenspel, excursie, film, gastdocent &c.
f. De uitvoering.
g. De evaluatie.
a. Deskundigheid van de vormingswerker.
b. Materiële en organisatorische omstandigheden in het
vormingscentrum
c. Wijze van ontwikkelen & aanbieden van de
programma’s
Ad A: Uit het voorgaande vallen al
heel wat eisen te distilleren welke gedistilleerd kunnen worden aan de
deskundigheden van de vormingswerker.
Nu hoeft het natuurlijk niet zo te zijn dat alle deskundigheden gepersonifieerd
zijn in één stafkracht. We beschikken gelukkig over de mogelijkheden te werken
met een team waarin de krachten evenredig verdeeld kunnen worden.
Met elkaar zullen we de volgende deskundigheid moeten bezitten en/of
ontwikkelen:
kennis van concrete levenservaringen en omstandigheden van de deelnemers,
gevoelig zijn voor het onderkennen van ervaringen van deelnemers,
op het spoor kunnen geraken van latente en manifeste behoeften van deelnemers,
methoden kunnen hanteren waar in plaats is voor, welke uitgaan van ervaringen
van de deelnemers,
ervaringen kunnen plaatsen in hun maatschappelijke kaders,
invloeden van maatschappelijke kaders of oordeelsvorming van de deelnemers kunnen inschatten,
flexibiliteit,
problemen kunnen invoelen
kunnen bepalen waarbij (welke kennis, vaardigheid etc.) de deelnemers precies
belang hebben en welk belang,
perspectieven kunnen bieden
kennis van algemeen, maatschappelijke onderwerpen (minimaal zoveel dat je
voldoende relevante informatie kunt aandragen:)
het kunnen hanteren van een aantal
technieken en programmavormen, creatief en of thema-, project-, onderwerp-,
cursusmatig gericht;
kunnen werken met een groep, processen kunnen hanteren;
kunnen evalueren inclusief de wil om te leren uit
evaluaties;
een dosis organisatievermogen, initiatief,
verantwoording, flexibiliteit en humor, een beetje zelfvertrouwen en vooral
veel interesse in en solidariteit met de deelnemers.
Ad B: Materiële en organisatorische voorwaarden
van het centrum:
Het moet een gezellige sfeer ademen, dus aansprekelijke
aankleding, muziek, literatuur, drankjes
enz,
- voldoende programmamateriaal en hulpmiddelen
- zo’n organisatie dat de deelnemer zelf de sfeer kan
meebepalen en in het activiteitenplan mede verantwoordelijkheid kan nemen.
Ad C: Aanbieding of werving:
- Het moet vooral duidelijk zijn wat mogelijkheden zijn
van programma-inhouden en
programma-vormen
- evens moet vooraf duidelijk te zijn wat de perspectieven zijn voor deelnemers
bij deelname aan een programma
- het aanbod moet leuk, aansprekelijk en in de taal van de deelnemers
(geschreven) zijn.
huisvesting moet zoveel mogelijk voldoen aan de
voorwaarden, die het doel van de organisatie welke er zich huisvest, stelt. In
geval van een vjv-centrum betekent dit vooral, dat onderwijs-norm minimaal
gehanteerd wordt en dat de ruimten waarover kan worden beschikt
multifunctioneel zijn.
Dit is belangrijk om vanuit de accommodatie die er is zo weinig mogelijk
belemmerd te zijn in het plannen van activiteiten. Dit plannen van activiteiten
wordt immers door andere zaken ook al belemmerd. Men denke aan de
subsidieregeling, de mogelijkheden van de staf en de beschikbare hulpmiddelen.
Ten aanzien van de ligging van huisvesting voor een
vjv-centrum valt het volgende te zeggen:
Het centrum zal voor deelnemers goed bereikbaar moeten
zijn, speciaal voor hen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer.
Anderzijds moet er flinke stallingruimte voor tweewielers in de directe
omgeving zijn. Ook zou een VJV-centrum (evenals winkel, kerken, restaurants,
cafés, bioscopen, scholen, etc.) enigszins herkenbaar moeten zijn op afstand.
Vanuit de gedachte dat de doelgroep van ondermeer bestaat
uit werkende mensen van 17 tot 30 jaar, waarvan een groot deel moeilijk te
bereiken is met stukjes in de kranten, brochures e.d., wordt het belang
aangestipt van de waarneembaarheid en het uitnodigend karakter van het centrum
zelf.
Dit zou op een zodanige wijze moeten zijn verwezenlijkt
dat de nieuwsgierigheid bij voorbijgangers wordt gewekt. Te denken valt b.v.
aan duidelijke informatie op opvallende borden, affiches voor de ramen,
totempalen of andere kunstwerken op omliggende grond (indien aanwezig) etc…..
- Wanneer er gewerkt wordt aan de opvallendheid van een
centrum is de zin daarvan groter
naarmate er meer mensen voorbijkomen. Een vjv-centrum dient dan ook niet ergens
achteraf, op een stil plekje, te worden gehuisvest.
- Niet minder belangrijk is het voorkomen van het gebouw
zelf. Aan de buitenkant, maar ook qua inferieur. Het mag niet formeel of
schools zijn, moet er niet al te clean uitzien, maar wel opgeruimd, fris,
gezellig en goed onderhouden.
Het hiervoor geschetste geldt in het interieur met name
voor de entree, de garderobe, de sanitaire ruimten en de huiskamer, waar voor
nieuwkomers de erg belangrijke eerste ontmoeting met de stoffelijke zijde van
het centrum plaatsvindt.
Overigens is dit alles ook voor een groot deel
sfeerbepalend. De overige ruimten (werkruimten) zullen weliswaar aan
bovengestelde moeten voldoen, maar bovenal zullen deze functioneel moeten zijn,
gericht op de daar te plegen activiteiten. Ook is een goede interne
bewegwijzering is aan te bevelen.
Stichting vjv-Bollenstreek werkt momenteel in twee
centra:
Qbus
Lisse
‘t Krebol Hillegom
Eind juli 1977 kregen wij een grote tegenslag te
verwerken. Het nieuwe onderkomen van Qbus aan de Ruishornlaan brandde geheel
af. Iedereen had ernaar toegeleefd het nieuwe seizoen te beginnen in de
vrijstaande nieuwbouw (semi permanent) met eigen parkeerterreintje voor auto’s
en voldoende stallingruimte voor tweewielers en met in de directe omgeving
halten voor regionaal openbaar vervoer, gelegen aan een druk bereden en belopen
slagader van het Lissese wegennet. De Ruishornlaan is namelijk de verbinding tussen het “oude”dorp en de nieuwe bebouwing in de
Poelpolder.
Nu we ruim een jaar verder zijn, is herbouw al zodanig
gerealiseerd dat we mogen aannemen binnen enkele maanden te kunnen verhuizen.
Een beschrijving geven van de situatie waarin het werk zich bijna in acht jaar
heeft afgespeeld (en ontwikkeld) kan derhalve achterwege blijven. Een korte
beschrijving van het nieuwe gebouw met
een plattegrond mag hier bij voorbaat al wel voor in de plaats komen.
Het gebouw, dat voldoet aan de eisen welke worden gesteld
i.v.m. rolstoelen,wordt betreden via een tochthal met aansluitend een
info-balie/ garderobe met omliggend de administratieruimte, de keuken (12 m2),
sanitaire ruimten (toilet voor invaliden, toiletten en douches), een “natte
activiteiten “- werkruimte met aparte doka (totaal 45 m2) en de
ontmoetingsruimte, deelbaar door een vouwwand, zodat een derde
activiteitenruimte kan worden gecreëerd (110 m2). Via de
administratie komt men in de twee vertrekken voor de staf, waar o.a. ook
vergaderingen van centrumraad, bestuur of projectgroepen kunnen worden
gehouden. Aansluitend aan de keuken ligt een grote berging (36 v. meter).
Aan de ontmoetingsruimte grenst een grote werkruimte met parketvloer voor
volksdansen , yoga, exposities, filmvoorstellingen etc. (75 m2)
Het gebouw is tot stand gekomen in zeer goed en uitvoerig overleg met de
gemeente Lisse.
Beperkingen werden gevormd door de subsidiemogelijkheden van het ministerie en
de voorkeur bij de gemeente voor semi-permanente bouw.
Terzijde mag hier toch wel opgemerkt worden, dat de
subsidieregeling , waarin wordt gesuggereerd dat een maximum huurbedrag van 75
gulden per vierkante meter voldoende is voor een gebouw waar redelijke eisen
aan gesteld mogen worden (art. 22), verre van voldoende is, als een eenvoudige
rekensom al leert, dat het gebouw de
gemeente Lisse zonder grondkosten het dubbele en met grondkosten bijna
driemaal het maximum bedrag kost.
We prijzen ons bijzonder gelukkig , dat de gemeente zo genereus is.
SCHETS PLATTEGROND NIEUWE GEBOUW QBUS GELEGEN
RUISHOORNLAAN 21 LISSE
1. Entree
2. Hal
3.
Ontmoetingsruimte 4.
Buffet
5. Keuken 6. Administratie
7. Stafkamer
8. Bestuurskamer
9. Berging
10. Studio: yoga, volksdansen etc.
11. Informatie ruimte 12. Atelier:
fotografie, handvaardigheid.
13. doka
14. toiletten en douches
15. aangepast toilet
16. c.v. ruimte
In Hillegom ligt de situatie qua huisvesting ook niet al
te best.
’t Krebol bewoont daar samen met de Culturele Raad van
Hillegom een oudere villa, genaamd “Villa Remina” aan de Weeresteinstraat 2.
Op de ligging is weinig aan te merken. Er komt veel verkeer langs en de situering vlak bij de dorpskern is
gunstig. Haltes van het openbaar vervoer zijn vlakbij aanwezig. Het aan
voetgangers duidelijk laten zijn dat hier een VJV-centrum is gehuisvest, ligt
erg moeilijk.
De verhuurder, de Commissie Sport en Recreatie van Hillegom, heeft verboden op
of rondom het gebouw reclame van enige aard aan te brengen. Dit betekent dat
potentiële deelnemers, die voorbijkomen, zonder enig vermoeden aan dit statige
oudere huis voorbijgaan.
Het interieur, met name de indeling in vertrekken is eigenlijk ongeschikt als
huisvesting voor een VJV-centrum.
Hetgeen ons nu aan ruimte overblijft bestaat uit een veel te kleine
ontmoetingsruimte (ca. 38 vierkante meter), een
veel te kleine ontmoetingsruimte (ca. 38 vierkante meter), twee kleine
werkvertrekken ( een van 20 vierkante meter en een van 24 vierkante meter) een
zéér kleine staf – annex administratieruimte (5 vierkante meter) en een doka
van 14 vierkante meter.
Met name de twee werkruimten zijn zo klein, dat alleen gespreksgroepen en
creatieve handvaardigheden, mits met kleine aantallen deelnemers, mogelijk
zijn. Dit geeft toch wel een te smalle basis aan de mogelijkheden voor het vjv
in Hillegom.
De gemeente is inmiddels plannen aan het maken om de villa op te knappen, dan
wel naar andere mogelijkheden voor huisvesting van de bewoners van “Huize
Remina”om te zien.
Geboden blijft het dat de stichting vjv-bollenstreek op
korte termijn in nauwe samenwerking met de gemeente Hillegom een adequate
oplossing voor de huisvestingsproblematiek realiseert.
Door de formatieregeling van het subsidiesysteem is het
niet mogelijk kleinere groepen in het
programma op te nemen zonder een zware wissel te trekken op de staf, die dan om
een groepsgemiddelde van 13 te halen meer dan vier groepen per persoon moet
begeleiden.
Om de kwaliteit van het werk niet al te
nadelig te laten beïnvloeden door accommodatie-omstandigheden, heeft het
bestuur derhalve besloten het programma in Hillegom voorlopig te beperken tot
één cursus per avond met daarnaast enkele werkgroepjes ter voorbereiding van
een verdere uitbouw zodra er over een betere huisvesting beschikt kan
worden.
Het vjv mag voor financiering
van haar werkzaamheden aanspraak maken op de z.g. “Rijksregeling Subsidiëring
Vormingswerk Leerplichtvrije Jeugd 1964” mits aan enkele voorwaarden is
voldaan. Deze voorwaarden zijn in een aantal artikelen vervat in de genoemde
regeling.
Het kan zinvol zijn er enkele uit te lichten.
Artikel 2.
Het vormingswerk van leerplichtvrije jeugd beoogt volgens
een specifieke methode de geestelijke, zedelijke en maatschappelijke
ontwikkeling te bevorderen van jeugdigen voor wie de verplichting tot het
volgen van volledig dagonderwijs is geëindigd.
Artikel 8.
De landelijke organisatie stelt met inachtneming van het
bepaalde in het tweede lid voorschriften vast omtrent de inrichting van de
vormingsprogramma’s van de door haar erkende vormingsinstituten en onderwerpt
deze voorschriften aan de goedkeuring van de minister.
De minister hoort hiertoe de Raad voor de Jeugdvorming.
Het tweede lid van art. 8 over de duur van een
vormingsprogramma is voor het vjv niet van toepassing.
Artikel 11.
Het vormingsinstituut heeft tot taak de uitvoering van
één of meer vormingsprogramma’s in overeenstemming met de voorschriften,
bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Artikel 12.
Het vormingsinstituut behoeft een erkenning door een
landelijke organisatie.
De erkenning wordt slechts verleend, indien het instituut
wordt in stand gehouden door een privaatrechterlijke rechtspersoon die:
a. blijkens zijn statuten het gestelde in artikel 11 ten doel heeft.
b. de leiding van de landelijke organisatie aanvaardt.
c. voldoet aan de voorwaarden ,vervat in deze beschikking, of waarvan, indien
zulks op het tijdstip van de erkenning nog niet kan worden vastgesteld,
redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat hij in geval van subsidiëring
ingevolge deze beschikking en bij
voortduring en naar behoren aan deze voorwaarden zal voldoen.
Artikel 14:
Tot het vormingsinstituut kunnen slechts worden
toegelaten zij, die:
a) niet ouder zijn dan 21 jaar en op de datum van aanvang van de uitvoering van
het vormingsproces.
b) geen volledig dagonderwijs volgen aan een school voor
voortgezet onderwijs.
(het vjv heeft ontheffing voor lid a en mag bij de inspecteur ontheffing
aanvragen voor lid b)
Artikel 16:
1. Het vormingsinstituut benoemt voor de uitvoering van
het vormingsprogramma één of meer
vormingsleiders met één gespecialiseerde opdracht.
2. Tot
vormingsleider kan slechts worden benoemd hij, die naar het oordeel van de
desbetreffende landelijke organisatie voldoende bekwaamheid bezit voor zijn
taak bij de uitvoering van het
vormingsprogramma.
Artikel 17:
Het vormingsinstituut stelt met inachtneming van de
voorschriften, bedoeld in artikel 7, tweede lid, de formatie vast van zijn
personeel.
(art. 7 sub b: Zij – de landelijke organisatie – stelt
voorschriften vast omtrent de formatie, de rechtspositie en de salariëring van
het personeel van de door haar erkende vormingsinstituten en onderwerpt deze
voorschriften aan de goedkeuring van de minister.); Benoemingen en
ontslagen van het personeel, bedoeld in
artikel 16, eerste lid, deelt het vormingsinstituut binnen een maand mede aan
de landelijke organisatie.
Artikel 19:
Het vormingsinstituut heeft de beschikking over ruimten
die naar het oordeel van de minister geschikt zijn voor de uitvoering van het
vormingsprogramma.
Artikel 22:
Een vormingsprogramma wordt niet uitgevoerd in lokalen,
die door de krachtens de gezondheidswet
bevoegde inspecteur van het
staatstoezicht op de volksgezondheid zijn afgekeurd als schadelijk voor de
gezondheid, gevaar opleverende voor de veiligheid of wegens onvoldoende ruimte
voor het aantal in die lokalen toegelaten deelnemers.
Artikel 24:
Het vormingsinstituut
brengt jaarlijks verslag uit aan de minister over de toestand van het
vormingswerk voor leerplichtvrije jeugd
aan het vormingsinstituut.
Artikel 26:
De landelijke organisatie of het vormingsinstituut kan
voor subsidiëring in aanmerking komen, indien de minister, de Raad voor de
jeugdvorming gehoord, heeft beslist, dat de behoefte aan de landelijke
organisatie of het vormingsinstituut voldoende is gebleken.
Artikel 28:
Vermeldt percentage van subsidiëring. Voor het vjv zijn hierop aanpassingen en ontheffingen van toepassing. Plaatselijke instituten ontvangen 70% op alle subsidiabele kosten van de Rijksoverheid. Het restant tot maximaal 97.5 % komt van de gemeenten.
Lid 3: De minister geeft nadere voorschriften omtrent
hetgeen in het vorige lid onder overdag en ’s avonds deelnemen aan het
vormingsprogramma moet worden verstaan.
Artikel 57:
2. De subsidiëring van een vormingsinstituut wordt
beëindigd, indien de minister, het vormingsinstituut, de landelijke organisatie
en de Raad voor Jeugdvorming gehoord, heeft beslist, dat de behoefte aan het
vormingsinstituut niet meer in voldoende mate bestaat.
Artikel 61:
1. De minister ziet toe, dat de bepalingen van deze beschikking worden
nageleefd. De besturen van het personeel
van de landelijke organisatie en de vormingsinstituten zijn gehouden aan de
inspectie alle daartoe vereiste inlichtingen te geven.
Tot zover de meest relevante artikelen (of delen
daaruit).
Deze subsidieregeling nu heeft een leidraad voor hanteren
nodig. Deze leidraad noemen we het
SUBSIDIESYSTEEM.
Tot november 1975 gold het z.g. “lump sum system”, vrij
vertaald het “klontersysteem”
Dit was gebaseerd op een vast bedrag (laatstelijk f 12,50) per uur dat een
deelnemer aan een aktiviteit meedeed. Je mocht er bij wijze van spreken mee
doen en laten wat je wou. In november 1975 werd, met terugwerkende kracht tot 1
januari van dat jaar en voorlopig geldend voor twee jaar een nieuw systeem
gedecreteerd het z.g.
INTERIM SUBSIDIESYSTEEM (I.S.S.)
Ook in dit systeem staat de deelnemers-uren-productie
centraal.
Voordelen t.o.v. het oude systeem zijn de garanties die geboden worden, en wel:
bodemgaranties: (bij start of 4.680 uur)
er is minimaal één pedagogische medewerker.
er is f 16.500,-- beschikbaar voor een administratieve
hulp
een instituut mag over minimaal twee werk-, een
ontmoetings-, een staf- en een administratieve ruimte beschikken.
er is minimaal f 3000,-- voor de financiële
administratie.
Gerarandeerde uitbreidingsmogelijkheden:
een personeels formatietabel
een formule voor ruimte uitbreiding
een schoonmaakurentabel
Geen direkte dreiging bij terugloop deelnamen.
Het systeem kent vijf teldata t.w.:
1 januari, 1 maart, 1 mei, 1 september, 1 november.
De som van het aantal deelnemers-uren
van vijf aaneengesloten perioden is uitgangspunt voor formules waarmee de personeelsformatie,
huisvestigingsmogelijkheden, aantallen gastdocenten en administratieve krachten
kunnen worden berekend.
Gaat op een gegeven moment het aantal deelnemers uren zodanig achteruit, dat er
naar een lagere formatie moet worden overgeschakeld, dan rest het instituut nog
vier telperioden alvorens hier daadwerkelijk toe moet worden overgegaan.
Gedurende deze tijd kan men proberen het aantal uren weer op peil te krijgen.
Een groot nadeel van het subsidiesysteem is, dat het de
subsidieregeling beperkt in hoge mate. Het systeem noemt bedragen en getallen,
waar de regeling spreekt van procenten en subsidiabele kosten. Waar de maximale
bedragen van het systeem op zijn gebaseerd,
is voor ons moeilijk te achterhalen. In ieder geval niet in op de realiteit,
mag verondersteld worden, als we bijvoorbeeld te horen krijgen van de gemeente
Lisse, dat de 75 gulden huur die maximaal per vierkante meter per jaar betaald
mag worden ternauwernood een derde dekt van de kosten die de gemeente voor het
gebouw heeft moeten maken.
Van alle werkelijkheid gespeend zijn ook de bedragen die aan
schoonmaakpersoneel uitgegeven mogen worden. Zelfs “zwart” verdient men de
helft meer bij de “mevrouwen” in de Bollenstreek. Als verder de maximale
vergoedingen voor excursies, weekends, en kampen bekeken worden, wellen associaties op aan schoolreisjes en
padvinderbivaks uit de vijftiger jaren.
Een niet te veronachtzamen probleem is voorts, dat het niet mogelijk is een
verantwoord investeringsbeleid op eigen krachten op te bouwen.
Er is geen artikel waarop minimale inventaris kan worden aangeschaft. Wie door
het ontbreken van kredieten geen inventaris kan aanschaffen kan ook niet
afschrijven, oftewel: wie niets heeft, zal ook niets krijgen.
Het is allemaal verklaarbaar:
De Mater-Amabilisschool maakte voor de uitvoering van
haar werk gebruik van lokalen, docenten en materialen van de huishoudschool
overeenkomstig artikel 20 van de subsidieregeling.
Bij de omschakeling naar vjv werd het werk losgekoppeld
van het Nijverheidsonderwijs en men heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven
van het feit dat voor deze verzelfstandiging extra faciliteiten nodig waren.
Met deze verklaring komen we echter niet veel verder.
Wij willen er sterk voor pleiten, dat er op basis van
redelijk te stellen eisen voorwaarden worden geformuleerd om de kwalitatieve
groei van het werk te bevorderen. Dat daarbij zowel de regeling als het systeem
op de helling moeten, staat voor ons buiten kijf.
De verklaring van de UNESCO in de jaren zestig over het basisrecht voor
ieder mens, zijn hele leven mogelijkheden ter beschikking te hebben voor
vorming en ontwikkeling. . . . . “zowel ter bevordering van de individuele
ontplooiing als van de actieve deelname aan het maatschappelijke en politieke
leven en aan de sociale en economische ontwikkeling van het land …”, heeft veel
in beweging gezet.
Het eerste effect was een forse uitbreiding van het
aantal rijkssubsidies voor de verschillende vormen van buitenschools
sociaal-cultureel en educatief werk ( een algemeen verschijnsel voor de wat
rijkere landen.)
Later werd het beleid van de overheid wat systematischer
en werden er commissies, werkgroepen en deskundigen ingeschakeld om mee te
denken over een structurele aanpak in de richting van een integraal
welzijnsbeleid in zeer ruime zin.
Zo werd onder meer in 1974 de adviescommissie Open School
ingesteld, in 1975 de kommissie
Bevordering Plaatselijk Educatieve Netwerken, in 1977 wordt de kommissie
Betaald Educatief Verlof ingesteld en vlak voor het aftreden van het kabinet
Den Uyl werd het Specifieke Welzijn den
Kamer aangeboden.
Het idee dat iedere burger in staat gesteld moet worden
zich een positie in onze samenleving te kunnen verwerven en belangrijker nog te
kunnen handhaven heeft geleid tot de opstelling van een nieuw beleidsplan
t.a.v. de sociaal-culturele voorzieningen in Nederland. Hierin staat voorop dat
de “sociaal zwakkeren” hun positie relatief en absoluut moeten kunnen
verbeteren. Deze positieverbetering heeft niet alleen betrekking op de directe
materiële behoeften maar komt vooral tot uiting in de indirecte, niet-materiële
sfeer, zoals scholing, vorming & ontwikkeling.
Het is vanuit bovengenoemde filosofie dat een spreiding
van kennis en macht in de kern van het regeringsbeleid zijn gekomen.
Om zo’n spreiding duidelijker tot uiting te laten komen, waardoor de afstand
tot de individuele burger vermindert, is gemeend ook de uitvoering van het
besluit te moeten spreiden d.m.v. “decentralisatiebeleid”.
Het decentralisatiebeleid wil de beslissingsbevoegdheid
t.a.v. het sociaal- cultureel beleid verschuiven van de centrale naar de lagere
overheden, hiertoe is de “Rijksbijdrage regeling Sociaal-Cultureel Werk”
ontworpen (staatscourant 17 januari 1977 nr. 13).
Het voordeel hiervan is dat de plaatselijke en regionale
overheden, die een beter overzicht hebben van de situatie in hun gebied, de
gelden besteden welke door de landelijke
overheden ter beschikking worden gesteld.
De lagere overheden zullen volgens richtlijnen van de
landelijke overheid de mogelijkheid hebben sociaal-culturele activiteiten te
subsidiëren die van belang geacht worden voor de bevolking in hun gebied.
Plannen tot subsidiëring van activiteiten dienen hiertoe
opgenomen te worden in een z.g. “educatief plan”.
Verwacht mag worden dat zo voorzieningen en behoeften beter op elkaar afgestemd
kunnen worden.
Gevaar van deze ontwikkeling is wel, dat de
sociaal-culturele voorzieningen inzet van gemeentepolitiek kunnen worden, een
kans die zeker t.a.v. kritisch maatschappijwerk niet onderschat mag worden.
Immers, werk dat een voorhoedefunctie vervult in een samenleving , zal licht op
verzet kunnen stuiten van traditioneel ingestelde groepen.
We kunnen ons echter wel de vraag stellen hoe een evenwicht te bereiken is
tussen een gezonde kritische instelling en de eis die aan alle werk gesteld mag
en moet worden:
“Sluit het aan bij het behoeftepatroon van de bevolking?”
Het uiteindelijk resultaat van dit dilemma zal het al dan niet opnemen van het
omstreden werk in het sociaal-cultureel beleidsplan van de gemeente betekenen.
Dit heeft direct consequenties voor de subsidiëring en
daarmee de bestaansmogelijkheid van een werksoort. Hierbij dient opgemerkt te
worden, dat er tegen het niet opnemen in het sociaal-cultureel beleidsplan
beroep aangetekend kan worden.,
De open school wil zowel tweede weg als tweede
kansonderwijs bieden.
Onder tweede-wegonderwijs verstaan we de mogelijkheid voor niet leerplichtigen,
die geen volledig dagonderwijs willen genieten, toch scholing krijgen.
Tweede-kansonderwijs is bedoeld voor degenen die in hun jeugd geen kans gehad
hebben het normale dagonderwijs te volgen en dit in hun vrije tijd willen doen
d.m.v. speciaal op hun situatie afgestemde cursussen.
In het derde advies van de Commissie Open School (C.O.S)
december 1976, wordt uitgegaan van drie poten:
1. thematisch
2. leerdoelgericht
3. bezigheidsbepaald
ad 1: Thematisch.
Aan de hand van een thema kan de cursist een aantal
specifieke onderwerpen kiezen. Een thema kan worden uitgewerkt tot een
educatief programma van 8 tot 12 tot 16 weken, waarbij een viertal thema’s
per jaar aan de orde kunnen komen.
Binnen een thema is er een fasegewijze opbouw: oriëntatie, de herkenning van
een probleem; plannen, de vragen op een rij zetten en structureren, werkstuk,
binnen de groep tot een afronding komen.
Ad 2: Leerdoelgerichte cursussen.
Deze poot verwijst nadrukkelijk naar een diploma. Minimum
niveau is de 5e klas van de basisschool. Eindniveau is 2e
klas mavo. Het vakkenpakket is traditioneel, de opbouw is volgens een 40- of 80
tal onderwijsleereenheden. (ole’s)
Ad 3: Bezigheidsbepaalde thema’s.
Geen uitspraken vraag zoals onder 1 en 2.
Deze poot is nog erg onderontwikkeld.
Hoe haar verhoudingen zijn met 1 en 2 wordt, is niet
duidelijk (educatieve voorzieningen: netwerk?)
Nadat de ervaringen van de stichting proefprojecten, die
nu drie experimenten uitvoert, eind 1978 of begin 1979 bekend zijn, zal een
definitief advies volgen over de inkleding van de open school.
Vast staat wel dat het multimediaal educatief systeem wordt, waarin de
verschillende media ondersteunend zullen gaan meewerken.
Te denken valt hier aan: t.v., radio, schriftelijk onderwijs, vormingswerk,
bibliotheken e.d.
In het derde advies worden de volgende doelgroepen
onderscheiden:
- vrouwen vanaf 30 jaar.
- werkende (of werkloze) jong volwassenen tot 30 jaar.
- werkende (of werkloze) volwassenen
De keuze die hier gemaakt word lijkt vrij arbitrair, want
waarom geen boven 50-jarigen of 65+, die ook hun eigen scholing- en
vormingsbehoeften hebben? Het COS-rapport spreekt zich hier vreemd genoeg niet
over uit.
Des te opvallender is de keuze die gemaakt word voor de
levensbeschouwelijke aspecten, zoals geformuleerd in het COS-rapport:
“In de structuur van de open school zullen de volgende elementen tot gelding
moeten worden gebracht.
- verschillende levensbeschouwelijke richtingen moeten,
waar mogelijk met elkaar samenwerken.
- die samenwerking mag niet leiden tot het elimineren van
alles wat aanstootgevend kan zijn voor bepaalde bevolkingsgroepen.
- die samenwerking moet niet alleen garanties bieden voor
een inbreng aan de top, maar juist ook voor het doorwerken van verschillende
levensbeschouwingen tot in het eindproduct; de verschillende
levensbeschouwingen moeten binnen het
samenwerkingsverband ook een eigen autonomie hebben.
Deze uitgangspunten kunnen dienen als criteria bij de
structurering van het open-schoolsysteem.
Daarnaast is de plaatselijke begeleiding een belangrijk
element in zo’n systeem. Dit zouden we kunnen aanmerken als het meest kritieke.
Op de maatschappelijke solidariteit van plaatselijke kerken en het
confessionele vormingsleven dient dan ook in dit verband een dringend beroep te
worden gedaan.
(uit: “Edukatieve Netwerken: net-werk”)
DE VORM VAN
ORGANISATIE EN KOÖRDINATIE.
De COS onderkent twee mogelijkheden:
Enkelvoudig komponentensysteem d.w.z.
Samenwerkingsverbanden van zelfstandige
organisaties en/of instellingen.
Meervoudige komponentensysteem d.w.z.
Samenwerking tussen de afzonderlijke, uit meerdere
organisaties en instanties bestaande komponenten van de volwassenedukatie.
De COS kiest voor de tweede mogelijkheid.
Zij denkt dat hier de garantie geschapen wordt in
onderling overleg te bepalen welk stadium het beste voor welke taak ingeschakeld kan worden. Daarnaast kan dan
gebruik worden gemaakt van het hele scala van pluriformiteit van deskundigheden
in de afzonderlijke komponenten.
De COS trekt de volgende konsekwenties:
- De landelijke komponenten van volwassenedukatie, als omroep en schriftelijk
onderwijs, dienen elk voor zich samenwerkingsverbanden te vormen om dan
gezamenlijk een optimale bijdrage aan de ontwikkeling en vernieuwing van de
multimediale volwasseneneducatie te kunnen leveren.
- Plaatselijk en/of regionaal zullen er “educatieve netwerken”moeten komen,
waarin de begeleidings- en ondersteuningscomponenten op elkaar zijn afgestemd.
- Voor de coördinatie van de activiteiten van de
landelijke componenten van volwasseneneducatie in relatie met de plaatselijke
en/of regionale “educatieve netwerken” is een “ontwikkelingsorganisatie”nodig.
(visie COS)
De landelijke adviesgroep Nieuwe Educatieve Voorzieningen
van het vjv geeft op het voorgaande de volgende kritiek:
“De COS kiest voor het meervoudige componentensysteem.
Een garantie voor een betere coördinatie zien wij geenszins gewaarborgd door
een meervoudig componentensysteem.
Juist in het enkelvoudig componentensysteem kan er door de afzonderlijke
organisaties en/of instellingen snel en in gezamenlijk overleg tot uitvoering
worden overgegaan.
Wanneer er problemen zijn is er alsnog de mogelijkheid de desbetreffende
overkoepelende of bindende organisatie om steun te vragen. Dat eerst het geheel
ingeschakeld moet worden voordat onderdelen kunnen gaan functioneren, lijkt ons
ietwat onlogisch”.
Besluit.
Kenmerkend voor de hele opzet van de open school is het
bevoogdend karakter, inbreng van de toekomstige gebruikers wordt niet gevraagd,
wel een overmaat aan vermeende deskundigen.
Maar wat mag dan wel het belang zijn van
vertegenwoordigers van werkgevers, humanisten, kerken e.d., boven dat van de gebruikers zelf, die geen
vertegenwoordiging in het bestuur van de Stichting Ontwikkeling Open School
(STOOS) krijgen?
Zeker zo kwalijk is de kans dat onderwijs in engere zin
en scholing meer nadruk krijgen dan vorming- en ontwikkelingswerk. Dit vormt
een bedenkelijke ontwikkeling waarbij de vinger aan de pols gehouden dient te
worden.
Zoals uit het voorgaande blijkt accepteert de overheid
haar grote verantwoording t.a.v. de volwasseneneducatie, die in een
gedecentraliseerde structuur haar beslag moet krijgen. De duizenden die om
velerlei redenen bij willen blijven of zich verder willen ontplooien, wordt dan
de mogelijkheid geboden om in de eigen regio hier wat aan te doen.
In eerste instantie is het de bedoeling dat de gemeenten
een educatief plan opstellen waarin zij een inventarisatie maken van wat aanwezig
is in de gemeente of eventueel in de
regio. Hieruit zal dan blijken of het aanbod voldoende is en zo niet, waar de
knelpunten zitten.
Het is de bedoeling dat de activiteiten die in een educatief
plan genoemd worden zoveel mogelijk het hele scala aan voorzieningen in een
regio omvatten.
De financiering van de voorzieningen staat hier los van.
Hiervoor geldt dat activiteiten die nu al gesubsidieerd
worden volgens een eigen regeling, zoals bibliotheken, vjv-centra e.d., hun
subsidiekanalen blijven gebruiken.
Alleen de
activiteiten die nu niet gesubsidieerd worden of met een CRM-subsidie betaald
worden gaan vallen onder de nieuwe rijksbijdrageregeling sociaal-cultureel
werk.
De rijksbijdrageregeling van CRM legt de verantwoording
bij de lagere overheden, wat betreft de uitgave van de subsidiegelden.
Het vjv tekent hierbij aan in stelling 6 van de
ledenraad, juni 1976, dat alvorens overgegaan wordt tot het overhevelen van
verantwoordelijkheden naar de plaatselijke overheden de volgende voorwaarden
moeten worden gesteld:
a. er zal vastgesteld moeten worden wat tot de
basisvoorzieningen gerekend moet worden.
b. het recht op financiering zal voor de
basisvoorzieningen wettelijk geregeld dienen te worden.
c. het recht op vorming zal in de grondwet vastgelegd
moeten worden.
d. het recht op beroep dient wettelijk geregeld te
worden.
Vermelden we nog , dat de financiële mogelijkheden voor
1978 en 1979 in ieder geval bevroren zijn op het peil van 1977. Bij het werken
aan een langere-termijnplanning kunnen geen
grote verwachtingen gemaakt worden.
CRM heeft al een aantal gemeenten signalen gegeven van gebrek aan voldoende
fondsen en ook bij O & W moet er “ingeleverd gaan worden”, zoals dat
tegenwoordig heet.
Dat de bezuinigingsdebatten nu al enkele malen zijn uitgesteld, kan ook bepaald
niet als een gunstig teken gezien
worden. Het gaat er een beetje op lijken, dat er achter de voortdenderende
welzijnstrein een akelig leeg tendertje bungelt.
Vooralsnog een weinig bemoedigend beeld
voor wat betreft de totstandkoming en financiering van educatieve voorzieningen
in de streek. Dit betekent niet, dat alle plannenmakerij maar moet worden
opgeschort. Integendeel, er zal nog harder en ingrijpender moeten worden
gewerkt aan het realiseren van voorzieningen, met name die welke toegankelijk
zijn voor diegenen in onze samenleving die door wat voor oorzaak dan ook tot op
heden te weinig kans of stimulans ervaren hebben om deel te nemen aan
activiteiten op dit terrein.
Zo er keuzen gemaakt moeten worden, kan wat ons betreft de “Open Universiteit”
nog wel even de ijskast in, om maar niet te praten over ontwikkelingen op
terreinen van andere politieke plannenmakers die vragelijk gesteld mogen
worden. Maar wellicht praten we dan over moeilijk vergelijkbare grootheden.
Ook aan de diverse gemeentebesturen in de Bollenstreek zijn de ontwikkelingen op
het sociaal-culturele en -educatieve
vlak niet onopgemerkt voorbijgegaan.
Met name de invoering van de Rijksbijdrageregeling Sociaal en Kultureel werk (staatscourant 13, 1977) heeft
op verschillende gemeentehuizen een aanzet gegeven tot het ontwikkelen van
gedachten over sociaal-cultureel en -educatief beleid.
In het algemeen kan gesteld worden dat men op dit moment
(augustus 1978) nog in een stadium van oriëntatie en inventarisatie verkeert,
waarbij de ambtelijke voorhoede in de ene gemeente wat verder is dan in de
andere, zoals in het volgende wel zal blijken. Om deze inventarisatie te laten
zijn wat zij beoogt, namelijk kort te zijn, zal worden volstaan met het geven
van een overzicht van wat er gebeurt in de drie gemeenten waarmee wij als
vjv-bollenstreek het meest direct te maken hebben, namelijk Hillegom, Lisse en
Sassenheim, waarna we nog even terugkomen op de gemeenten in het algemeen.
In Hillegom is momenteel het
ambtelijk apparaat en met name de ambtenaar onderwijszaken bezig met het
bestuderen van de mogelijk- en onmogelijkheden van de rijksbijdrageregeling.
Tevens worden er kontakten gelegd met organisaties en instellingen die op het
sociaal-cultureel vlak werkzaam zijn. Doel van deze kontakten is, te komen tot
een inventarisatie als bedoeld in artikel 9 lid 2 van de rijksbijdrageregeling.
Het plan was om deze inventarisatie in de vorm van een nota, waarin ook
grondslagen van een concept vierjarenplan zouden worden vastgelegd, vóór de
zomer van 1977 de gemeenteraad aan te bieden.
De voorbereidende werkzaamheden zijn echter zo veelomvattend geweest, dat pas
na de zomer van dit jaar een voorlopig plan verwacht kan worden.
Binnen het kollege van B. & W. zal omstreeks juli een procedure vastgesteld
worden. Na vaststelling van het
conceptplan zullen de bevolking en betrokken instellingen gehoord worden en
wensen kenbaar kunnen maken.
Mede door de financieel niet al te rooskleurige situatie van de gemeente
Hillegom, is een van de grondgedachten, dat overlappingen van functies bij de
verschillende instellingen uitvoerig aan de orde zullen komen.
Het opbouwen en verstevigen van een goede relatie tussen de diverse
instellingen achten wij dan ook erg belangrijk en zouden wij graag willen
stimuleren.
Op de valreep vernamen wij, dat de Raad van de gemeente Hillegom in haar
vergadering van 13 juli f 25.000,-- beschikbaar gesteld heeft om de
voorbereidingskosten voor een educatief
en een sociaal-cultureel plan te kunnen dekken. Voorts is er, voorlopig voor de
termijn van drie maanden een ambtenaar vrijgesteld om zich met de
voorbereidende werkzaamheden bezig te houden.
Over de vorm waarin de
uitvoering van de rijksbijdrage-regeling op langere termijn gegoten gaat
worden, is nog niet veel te zeggen. De mogelijkheid bestaat, dat men de huidige
Culturele Raad de taak van coördinerend
lichaam zal gaan toekennen met een adviserende stem naar de gemeenteraad.
In Lisse is men al vrij vroeg begonnen
met het zich oriënteren op de nieuwe ontwikkelingen. Vanaf november 1976 is er
een werkgroep “culturele commissie”aan de slag gegaan.
Deze groep heeft het bestaande programma-aanbod geïnventariseerd en ook
instellingen voor schriftelijk
onderwijs hierbij betrokken.
Men heeft tevens geprobeerd inzicht te krijgen in de wensen en behoeften van de
bestaande organisaties.
“Uit het onderzoek is niet gebleken, dat zich belangrijke tekorten in het
aanbod van culturele activiteiten voordoen en ook niet dat bepaalde
activiteiten extra dienen te worden gestimuleerd. Er doen zich dan wel
mogelijkheden tot coördinatie voor, waarbij vooral wordt gedacht aan de
creatieve sector. Hierbij tekent het college echter direct aan, dat het
ingrijpen in de gevestigde zaken (nog afgezien van de vraag of daartoe de
noodzaak aanwezig is) met de nodige voorzichtigheid dient te geschieden. De
wensen van de diverse instanties zijn samen te vatten in twee woorden: subsidie
en huisvesting.”
Aldus enkele uitspraken uit de memorie van toelichting op de begroting voor
1978.
In dezelfde memorie wordt kritisch stelling genomen door het College tegen de
door CRM gewenste ontwikkelingen en het vraagt zich af of dit departement qua
geld, tijd en mankracht voldoende geëquipeerd is.
De werkgroep Culturele Commissie
heeft een aantal aanbevelingen gedaan die door B&W aan de Raad zijn
voorgelegd en zijn aangenomen. Gevolg
hiervan is onder meer, dat er geen culturele commissie komt overeenkomstig
Artikel 61, lid 1 sub a, althans voorshands niet. Er is namelijk gekozen voor
een vaste kommissie van advies en bijstand, gevormd uit de leden van de Raad.
Hoewel er blijkens de
toelichting van B&W voldoende openingen zijn gelaten om democratisch handelen en inspraak te
garanderen, zijn wij er toch niet helemaal van overtuigd, dat een dergelijke
opzet optimale kansen geeft aan het particulier initiatief.
Ook bestaat het gevaar, dat zo’n kommissie louter academisch te werk zal gaan:
Er wordt een onderzoekje gedaan, op de gegevens wordt na een
“onderons-interpretatie” een advies gebouwd en overeenkomstig besloten.
Deze wat karikaturaal geschetste procedure kan werkelijkheid worden. Wij
pleiten dan ook voor directe verbindingen tussen instellingen en het
particuliere initiatief enerzijds en de kommissie anderzijds, oftewel: voor een
functionele kommissie ex artikel 61.
Een dergelijke kommissie achten
B&W gelukkig niet uitgesloten. En gelet op de stand van zaken in vele
andere gemeenten, zijn we er in Lisse op het sociaal-culturele &
-edukatieve vlak ook weer niet zo slecht aan toe.
Ten opzichte van Hillegom, maar
vooral van Lisse kan er in Sassenheim van een geheel andere situatie gesproken worden.
Een aantal mensen ten gemeentehuize is weliswaar begonnen met het zich
informeren over de nieuwe regelingen maar er is nog in het geheel geen zich op
een beleid dat er op zou kunnen inhaken.
Er zijn extra argumenten voor: De
jeugdrecreatie bedruipt zichzelf, door het particulier in initiatief word geen
beroep gedaan op de overheid, er is geen ambtenaar culturele zaken en de kommissie sport en
recreatie lijdt volgens onze ambtelijke informant een enigszins passief bestaan.
Toch vindt men, dat er noodzakelijk iets gedaan moet worden; dat de hele zaak
van het welzijn aan de orde gesteld moet worden. Het gemeentebestuur staat zeer
positief tegenover sociaal-culturele en –educatieve ontwikkelingen en is in
principe welwillend naar initiatieven in deze richting.
Wij merken dit zelf onder meer aan de zeer loyale wijze waarop wij worden
gesubsidieerd.
Wat dat betreft is Sassenheim een voorbeeld voor vele gemeenten.
Vanaf 1971 heeft het percentage
deelnemers afkomstig uit andere gemeenten dan de drie hiervoor genoemde,
geschommeld tussen de 12, 6, en 18,3.
Het percentage door hen gemaakte
deelnemersuren is globaal hetzelfde.
Dit betekent, dat we voor zo’n 18% van de gemeentelijke bijdrage afhankelijk
zijn van tien tot vijftien overige gemeenten.
Amsterdam, Haarlem en Leiden weigeren tot op heden ons werk te steunen. Andere
gemeenten hebben er geen probleem mee. De ontwikkelingen die zich in al die
gemeenten voordoen op het sociaal-cultureel en educatief terrein lopen zeer
uiteen. Er zijn gemeenten waar zich nog niets afspeelt op dit gebied en
gemeenten waar men alweer met bijgestelde educatieve plannen bezig is.
Alle gemeenten houden wij op de hoogte van de inhoud en voortgang van ons werk
en waar gevraagd wordt om in deze materie mee te denken, doen we graag
mee, tenzij de betreffende gemeente ligt
in het werkgebied van een ander vjv-instituut. In dat geval verwijzen we eerst
naar dat centrum.
Met het instituut in Noordwijkerhout hebben we die gemeenten waar wij beiden deelnemers uit krijgen,
verzocht om overeenkomstig de regelingen te blijven subsidiëren. Hierdoor
kunnen wij in staat blijven gezamenlijk
een zo gevarieerd mogelijk programma aan te bieden en de verschillende
activiteiten binnen de gehele regio op elkaar af te stemmen.
Van en naar het vjv-bollenstreek
lopen vele relatielijnen.
Sommige zijn verplicht, andere zelfaangegaan of aangeboden. Sommige werken
stimulerend, andere remmen, geven service, controleren, denken mee, kosten veel
tijd en/of zijn onmisbaar .
Deze wat willekeurige opsomming kan natuurlijk nog worden uitgebreid. Daar
wordt echter toch de realiteit nog niet
mee gedekt, omdat alle relaties op zich slechts met een mengeling van
dergelijke eigenschappen gekwalificeerd kunnen worden.
Voor de relaties wordt grofweg de volgende indeling gehanteerd:
1.
De Subsidiërende overheid:
a. het Rijk
b. de Provincie
c. de Gemeenten
2.
Het Vormingswerk Jong Volwassen
a. Landelijk
b. Regionaal
3.
Overige instanties en instellingen
a. Plaatselijk
b. Bovenplaatselijk
Zakenrelaties blijven hier buiten beschouwing.
De lijnen met de
rijksoverheid lopen via de landelijke organisatie van het VJV, zoals bepaald in
de subsidieregeling. Ook de verbinding met de rijksinspecteur gaat via Utrecht,
hoewel de inspecteur ons ook op eigen initiatief kan bezoeken, hetgeen af en
toe gebeurd. De inspecteur is erg behulpzaam geweest na de Qbusbrand. Hij is
over de schade komen praten, heeft zich op de hoogte gesteld van de eventuele
gevolgen en deze besproken met de gemeente en het ministerie.
Zowel hij als wij betreuren dat zijn taak zo veelomvattend is, dat het weinig
tijd rest om zich uitgebreid met het vjv-werk bezig te houden. De ophanden
zijnde herindeling van taken en rayons zal wellicht uitkomst bieden.
Het ontbreken van een directe lijn met het ministerie
heeft gevolgen voor de basis. Alle aanvragen en verzoeken gaan via Utrecht met commentaar of pre-advies
naar Den Haag en de reacties komen via
de landelijke organisaties terug. Nieuwe voorschriften, regelingen en
aanwijzingen worden lang niet altijd na overleg met de landelijke organisatie,
maar wel via, naar de plaatselijke instituten gestuurd. In het verleden is gebleken,
dat er op het ministerie niet altijd even grote duidelijkheid bestaat over wat
er aan de basis gebeurd. Er is eenmaal een bezoek geweest van enkele
ambtenaren. Eén van hen zei na de koffie en een inleidend gesprekje dat hij erg
benieuwd was en het centrum wel een wilde bekijken. Hij had het hele centrum al
gezien zonder het zich te realiseren!
Hij had zich ruime, goed geoutilleerde lokalen voorgesteld en besefte toen pas
in welk een gribus en onder wat voor primitieve omstandigheden het werk zich
afspeelde.
Het ministerie heeft ook niet zelf de financiële verantwoordelijkheid. Het
heeft de comptabiliteit aan de landelijke organisatie gegeven. Deze is daardoor
in een moeilijk parket gemanoeuvreerd en niet geheel vrij in de
belangenbehartiging van de plaatselijke instituten.
Wij zouden niet alleen graag de comptabiliteit door het ministerie zien
teruggenomen, waardoor Utrecht zich wat vrijer kan opstellen, maar pleiten voor
óók een directe lijn met de plaatselijke instituten.
Tot 1976 betaalde de provincie 15% van de subsidie.
Vanuit die tijd dateert de relatie met de Provinciale Jeugdraad, een adviserend
lichaam voor de Gedeputeerde Staten. Door de provinciale jeugdraad zijn er
kontakten ontstaan met de provinciale stuurgroep jeugdwerkeloosheid en de
Culturele Raad, een ander advieslichaam voor GS.
Daar de provincie niet meer subsidieert, worden er ook geen voorwaarden meer
gesteld. Relaties met provinciale organen zijn dus op eigen initiatief of op
uitnodiging aangegaan, reden waarom we er onder 3b op terug komen.
De relatie met de gemeente Lisse dateert van het
begin1951, toen de Mater Amabilis-school in Lisse werd opgericht. De kerk, het
bijzonder nijverheidsonderwijs, het bedrijfsleven en de cursisten zelf zorgden
in het begin voor voldoende financiën. De subsidieregeling van 1964
veroorzaakte een grote betrokkenheid met de gemeente.
Relaties met andere gemeenten ontstonden op het moment dat deelnemers van
buiten Lisse kwamen. Jaarlijks hebben we te maken met vijftien tot twintig
gemeenten.
Zeer nauwe relaties worden onderhouden met de gemeenten
Lisse, Hillegom en Sassenheim. De laatste twee vanaf 1974 en 1973, in welk jaar
we na een gesprek met betreffende colleges van B&W een werkplek hebben
gestart, waaruit in Hillegom ’t Krebol is ontstaan.
Elders in deze nota zijn we al ingegaan op aard en intensiteit van de relaties
met de gemeenten. In het algemeen kan gesteld worden, dat hoe verder een
gemeente van Lisse verwijderd is, hoe
minder deelnemers er vandaan komen en des te zakelijker de reactie.
Een opmerkelijke uitzondering is de gemeente Vlissingen,
vanwaar in 1976 twee deelnemers kwamen. Deze gemeente heeft ons zeer nauw
betrokken bij haar educatieve planning.
We vinden het erg belangrijk om met de ons subsidiërende
gemeenten een bredere dan een louter financieel-technische relatie te hebben.
We geloven dat dat zowel het werk, als de “rendabiliteit”van de gefourneerde
subsidies ten goede zal komen.
De omschakeling van MAS naar VJV heeft in de beginjaren
zeventig de relatie met veel gemeenten negatief beïnvloed. Bij enkele gemeenten
ervaarden we zelfs enige mate van scepsis en wantrouwen.
Dat stadium van onbegrip, op zich verklaarbaar maar desniettemin zeer
vervelend, zijn we gelukkig al weer enige jaren voorbij.
Hoewel we de indruk hebben dat de gemeenten niet meer subsidiëren vanuit een
houding van willekeurige gunning , menen we echter ook nog niet te kunnen
stellen, dat alle gemeenten zich met de rijksoverheid medesubsidiënt voelen van
een basisvoorziening voor
sociaal-cultureel en -educatief werk dat zij binnen de regio onmisbaar achten
en waarvoor het Rijk gelukkig 70% van de lasten betaalt.
In Utrecht zetelt de landelijke organisatie van het VJV,
kortweg genoemd LOVJV. Het bestaat uit een Stichting VJV, een landelijk buro
VJV en de landelijke Vereniging VJV.
Het geheel wordt aan de basis vaak “Utrecht” genoemd.
Er bestaat met de LOVJV een zeer hechte relatie. Er wordt
dan ook zeer voortvarend gewerkt in de organisatie.
Hoewel technocratoïde symptomen ons
kritisch hebben gemaakt, is het helaas niet altijd mogelijk actief mee te
werken in kommissies of overlegsituaties.
De consolidering van het werk aan de basis is zeer tijd- & energierovend.
Wij vinden het dan ook belangrijker dat de landelijke organisatie zich in
eerste instantie bezig houdt met de kwaliteitsverbetering van het werk in de
bestaande centra. Alvorens te beginnen aan het oprichten van nieuwe, of het
ontwikkelen van initiatieven die niet direct kwaliteitsbevorderend zijn. Het
werk draagt nog volop risico’s in zich zolang er een rechtspositieregeling
ontbreekt, geen subsidiewet is, het subsidiesysteem een zeer zwakke claim legt
op de werkers en een grote mate van tolerantie vraagt van bestuurders en
deelnemers, er nog te weinig activiteitenmateriaal voorhanden is, afgestemd op
het VJV en de institutionalisering van het VJV in het algemeen nog geen
voldongen feit is.
We vinden het dan ook jammer, dat een motie met deze strekking niet door de
ledenraad van het VJV is aangenomen juni jongstleden. Tijdens onze vergadering
is wel één van onze bestuurders in het
bestuur van de Landelijke Vereniging gekozen, zodat niet alleen de relatie nog
hechter zal worden, maar wellicht ook onze zorg voor het nog kwetsbare VJV iets
meer aandacht zal kunnen krijgen.
Tweemaal per jaar schrijft de Landelijke Vereniging een
algemene vergadering uit. De “Ledenraad VJV”.
Op deze vergadering spreken alle plaatselijke instituten
zich uit over het algemeen beleid van de
landelijke organisatie en kunnen nieuwe richtlijnen worden vastgesteld.
Aan de ledenvergadering gaat meestal uitgebreid regionaal
overleg vooraf.
Het vjv-bollenstreek heeft, gelijk de meeste andere
instituten twee afgevaardigden met stemrecht in de ledenraad zitten. Verder is
er ook meegewerkt in kommissies of werkgroepen aan programma-voorschriften,
pluriformiteit, VJV, deelnemersregistratie.
Ook aan de landelijke deelnemersdag wordt graag meegedaan.
Het “regionaal bureau VJV” te Heemstede omvat de centra in Noord en Zuid
Holland. Vanuit dit bureau worden vele overleggen georganiseerd en
gecoördineerd, zoals:
Penningmeesteroverleg (PO), coördinatorenoverleg (CO) en
overleggen van functionarissen (FO), de afgevaardigden naar de ledenraad (AL),
secretaressen (SO), vrouwengroepen (VO) en
scholings- en studiebijeenkomsten voor functionarissen.
Voorts bezoekt de regionaal consulent met grote regelmaat de instituten om op
de hoogte te blijven van de plaatselijke ontwikkelingen, te adviseren in zich
voordoende problemen, of waar nodig te bemiddelen.
De relatie met het regionaal bureau kan van ons uit als
uitstekend gekwalificeerd worden. Zowel de consulent als de secretaresse zijn
zeer attent, behulpzaam en hebben begrip voor de plaatselijke situatie.
Door de verschillende overleggen is er ook enige
bekendheid met de instituten in Noord en Zuid Holland.
Het zijn met name de functionarissen die elkaar
regelmatig ontmoeten en bepaalde zaken bespreken.
Nauwer contact is er met “De Mast” in Noordwijkerhout. Dit dateert vanuit de Mater
Amabilistijd. Vaak zijn de programma’s gezamenlijk opgesteld en werden/worden
wervingsakties regionaal gevoerd.
Deze stichting verdient het om al eerste genoemd te
worden.
Gezamenlijk werd in 1971 Qbus opgericht.
“Wij”zaten er door de week en “zij” verzorgden het weekend. Zeer nauwe
samenwerking leidde tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid. In het
opgestelde organisatiemodel komt dit tot uiting in de wederzijdse
vertegenwoordiging in bestuur en centrumraden.
De stichting houdt zich bezig met activiteiten die niet of moeilijk binnen het
VJV zijn uit te voeren.
Hiertoe behoort niet alleen de exploitatie van de
ontmoetingsruimte in onze centra, maar ook het organiseren van
ontspanningsprogramma’s en het meewerken aan evenementen zoals b.v. een fancy
fair, een culturele markt of een tentoonstelling.
In het nieuwe Qbus gaat de stichting zich wat
uitgebreider met het weekend bezighouden. De behoefte aan opvang voor jeugdigen
van 14 – 17 jaar gaat onderzocht worden, zodat bijvoorbeeld op de zondagmiddag
daar op ingehaakt kan worden.
De nauwe samenwerking tussen het VJV en de stichting
Jongerencentrum zal zeker worden voortgezet, daar de functies complementair
zijn en met name in Lisse, waar voor jeugd en jongeren zeer weinig
voorzieningen zijn.
Qbus in zijn totaliteit kan inschieten op een groot scala
verwachtingen en behoeften.
In Hillegom beperkt de functie van de stichting JC zich
grotendeels tot exploitatie van de ontmoetingsruimte.
Het feit dat Krebol géén weekendfunctie heeft, noch
historisch verwezen is geweest met sociëteitswerk, is hier oorzaak van.
Dit overleg in Hillegom is gestart op initiatief van de
Commissie voor Sport en Recreatie, de exploitant van het gebouw. De Stichting
Culturele Raad Hillegom, de Federatieve Raad voor bejaarden en het
vjv-bollenstreek vergaderden onregelmatig onder voorzitterschap van de
Commissie over het wel en wee binnen de villa. Gezamenlijk zijn er plannen
besproken voor een ingrijpende verbouwing. Ideeën om van dit overleg uit te
komen tot een stimuleringsgroep in de recreatieve sfeer zijn door soms toch wat
moeizame pogingen om de vaart erin te houden en wat relationele gevoeligheden
min of meer vastgelopen.
Vanuit dit overleg is wel veel werk verzet ten behoeve van de Europese
jeugdmars-tegen-de-werkeloosheid, waarvan de deelnemers in de Villa gebivakkeerd
hebben, hoewel niet iedereen er achteraf erg gelukkig mee geweest is, toen
bleek, dat de organisatie achter dit gebeuren sterk eenzijdig Trotskistisch
georiënteerd was.
Het dagelijks bestuur van de Commissie is ook erg voor
geporteerd, dit overleg meer diepgang te geven door bijvoorbeeld doelstellingen
en beleidszaken van de deelnemende instellingen ter sprake te stellen om zo een
nauwere samenwerking te entameren. Met deze gedachte zijn wij erg gelukkig en
graag willen wij daar aan meewerken.
Op uitnodiging van één der initiatiefnemers zijn we
betrokken geraakt bij de werkgroep tot oprichting van een advies- en
informatiebureau.
De confrontatie met een duidelijke behoefte aan individuele hulpverlening en
vragen om informatie over sociale, educatieve, medische, arbeidsrechtelijke en
aanverwante zaken bij onze deelnemers gaf voldoende aanleiding om op die
uitnodiging in te gaan.
Na een zestal bijeenkomsten hebben we voorlopig de deelname aan de werkgroep
gestaakt, daar tijdsgebrek er ons toe dwong. De totstandkoming van een advies-
en informatiecentrum lijkt ons van groot belang en zodra er weer mogelijkheden
zijn om actief en zinvol te kunnen meewerken, zullen wij dat zeker niet
nalaten.
Toen deze kommissie bijna vier jaar geleden zich ruimere
doelen ging stellen dan louter het exploiteren van de gemeentelijke
sportaccommodaties, is een van onze medewerkers gevraagd erin plaats te nemen.
De kommissie zou zich bezig gaan houden met jeugd- en jongerenwerk, de
ongeorganiseerde recreatie, cultuur etc., zaken waar ook het vjv binding mee
heeft.
Daar is echter niet zoveel van terecht gekomen. Het dagelijks bestuur opperde
al vrij snel dat de kommissie niet het platform kan zijn voor de bespreking van
“Qbuszaken” en B&W beperkte de bevoegdheden van de kommissie tot de
oorspronkelijke.
Toen twee jaar terug ten gemeentehuis de eerste plannen ontstonden voor een
culturele kommissie werd dan ook zowel van ambtelijke als bestuurlijke zijde
beraamd, dat vertegenwoordiging daarin zinvoller zou zijn.
Het werd echter wel op prijs gesteld als de zetel in de kommissie voor sport en
recreatie tot het eind van de culturele kommissie bezet zou blijven.
In het onderdeel permanente educatie en de schets van plaatselijke
ontwikkelingen is hier al op ingegaan.
In 1975 en 1976 huurden we van deze stichting lokalen in
het gebouw “De Stormbal” in Sassenheim.
Deze stichting stond bijzonder positief tegenover ons werk. Vanaf september
1972 organiseerden we al met veel succes cursussen, zodat er per 15 april 1975
zelfs een fulltime kracht kan worden gestationeerd. Om het werk te consolideren
werd de stichting twee plaatsen aangeboden in het VJV-bestuur.
Effectief is er echter slechts een plaats bezet geweest tot de zomer van 1976.
Met het betuur van de stichting Stormbal, die zeer nauw gelieerd is met de
stichting Interkerkelijke Jeugdwerk en door laatstgenoemde als intermediair
werd gezien, is herhaaldelijk de slechte ontwikkeling van het cursuswerk
besproken.
Toen de ontwikkeling niet te verbeteren bleek, is in overleg met beide
stichtingen het werk voorlopig opgeschort.
Voor de Stormbal en Moef ’76 is nog tweemaal een vrijwilligerstraining
georganiseerd en gezamenlijk wordt het filmprogramma opgesteld.
Het bestuur van de stichting Interkerkelijk Jeugdwerk
Sassenheim is in maart 1977 gevraagd het initiatief te nemen tot een
gestructureerd overleg tussen de vier stichtingen die in “de Stormbal” werkzaam
waren. Gezien de zeer drukke werkzaamheden van dit moment menen wij, dat een
opbloei van vjv-activiteiten minimaal een/twee jaar voorbereiding vergt.
Vanaf 1973 zijn er in ons centrum in Lisse groepen huisvrouwen
geweest, al of niet in een langdurig cursusverband overdag of ’s avonds.
Toen in september 1975 de vraag om overdag cursussen te kunnen volgen zo groot
bleek, met name van mensen boven de subsidiabele leeftijd, dat het ten koste
zou kunnen gaan van het vjv-werk, is er een initiatiefgroep gevormd om te komen
tot een verzelfstandiging van het werk voor volwassenen.
Het seizoen 1976/1977 presenteerde de “School voor Volwassenen” zich met een
uitgebreid programma, waar grif op ingeschreven werd.
In het bestuur van deze stichting is destijds onze voorzitter afgevaardigd om
de relatie te behartigen. Nu hij de wens te kennen gegeven heeft om zijn
functie neer te leggen, nu hij al enige tijd geen voorzitter meer is van onze
stichting, zal door ons een vervangende kandidaat voorgedragen worden.
Een goede relatie en diepgaand contact met deze stichting achten wij van zeer
groot belang. Er zijn zeer vele raakvlakken en wanneer er niet een zekere
afstemming kan plaats vinden van elkaars activiteiten, zal dat niet alleen
verwarring geven bij deelnemers, maar ook tot een onnodige verspilling kunnen
gaan leiden van tijd en energie.
Overlapping van elkaars activiteiten ligt niet direct voor de hand, daar de
School voor Volwassenen in haar programma-aanbod meer appelleert aan de
behoefte aan scholing in cognitieve vaardigheden, dan wij plegen te doen.
Bij gelegenheid en onregelmatig
zijn er kontakten met vertegenwoordigers van kerken, gemeenteraad, vakbonden,
politieke partijen, sociëteiten en verenigingen in de welzijnssector. Soms komt
er wat lijn in door bijvoorbeeld de organisatie van een maandelijks
koffie-uurtje of het afspreken van een
reeks discussies over raakvlakken in het werk.
Bijzonder jammer is, dat dergelijke pogingen tot regelmatig overleg vaak
vastlopen. Iedereen heeft het druk met zijn eigen kraampje, heeft wel graag
regelmatig kontakten, maar kan er moeilijk toe komen.
Een geregeld overleg lijkt ons echter onontbeerlijk. Het kan de ontwikkeling
van een gestructureerd gemeentelijk welzijnsbeleid alleen maar ten goede komen.
Wij hopen binnen een jaar
zodanig “orde op zaken” te hebben, dat we daar meer aandacht aan kunnen geven.
Van deze raad hebben we enkele bijeenkomsten meegemaakt over de educatieve ontwikkelingen. Voorts maken we deel uit van de werkgroep “Andersgerichte Culturele Belangstelling”, die heeft gewerkt aan een effectievere toepassing en omzetting van een subsidieregeling ter stimulering van de receptieve culturele belangstelling bij jongeren.
Daar er op dit terrein veel gedaan kan worden en er zeker ook in de Bollenstreek bovendien duidelijke raakvlakken zijn met ons vjv, achten wij een voortbestaan van de werkgroep nu de nieuwe regeling een feit is, nog steeds belangrijk.
Van dit bureau maken wij dankbaar gebruik bij het organiseren van filmprogramma’s, theater- en muziekactiviteiten. Het bureau attendeert op nieuwe ontwikkelingen en stuurt met regelmaat informatiemateriaal.
We vinden het bijzonder prettig dat het bureau het overleg met de sociëteiten en jongerencentra in de Bollenstreek weer op gang gebracht heeft. Het heeft de betrokkenheid van de verschillende instellingen, die merendeels draaien op vrijwilligers, weer versterkt.
Goede kontakten met deze raad dateren uit de tijd dat de
provincie mede subsidieerde. Op uitnodiging hebben wij deel uitgemaakt van de
toenmalige provinciale stuurgroep Jeugdwerkeloosheid.
Daar dit probleem in de Bollenstreek nauwelijks speelde, zijn wij bij deze
werkgroep niet daadwerkelijk betrokken gebleven. We vinden het wel nodig om de
ontwikkelingen te blijven volgen om, zodra we worden geconfronteerd met
jeugdwerkeloosheid, paraat te zijn.
Overige bovenplaatselijke relaties.
Evenals bij de plaatselijke relaties, zijn de meeste kontakten niet
in een vaste overlegvorm gegoten, maar worden ad hoc gehouden.
Zo zijn er gesprekken met:
Het Lager Beroepsonderwijs rond de tijd van de eindexamens over de
problematiek van de schoolverlaters. Enkele scholen zijn erg behulpzaam met het
geven van adreslijsten van schoolverlaters.
Ook is de mogelijkheid besproken om laatstejaarsleerlingen vóór hun eindexamen
in hun klas te bezoeken, of klassikaal uit te nodigen voor een bezoek aan één
van onze centra.
Met de stichtingen
Maatschappelijke Dienstverlening Bollenstreek, Geestelijke Gezondheid Zuid Holland en het Bureau voor Gezondheid,
Voorlichting en Opvoeding zijn ook met zekere regelmaat kontakten. Deze liggen
meestal in de sfeer van informatie-uitwisseling ten behoeve van elkaars werk,
of de individuele hulpverlening.
Het ligt in de bedoeling ook aan
deze relaties zodanig aandacht te geven, dat de continuïteit gewaarborgd
blijft.
Met het Gewestelijk Arbeidsbureau
zijn er contacten die zich concentreren rond jeugdwerkeloosheid en werving.
Incidenteel loopt er wel eens
een hulpvraag via ons naar het bureau.
RIJKSREGELING SUBSIDIËRING VORMINGSWERK LEERPLICHTVRIJE JEUGD
Publicatie nr. 48 in de serie
“Wetten en bestuursmaatregelen onderwijs en wetenschappen”.
ONTWERP ALGEMENE MAATREGEL VAN
BESTUUR:
RIJKSBIJDRAGEREGELING
SOCIAAL-CULTUREEL WERK.
Rijswijk, april 1978, Ministerie
van CRM.
EDUCATIEPROGRAMMA’S MAKEN
H. Hinnekint
Publicatie nr. 10 in de serie
“Vormingswerk theorie & praktijk” Groningen 1975
MET PLANNING EN BELEID
Informatie over de planning van
het gemeentelijk welzijnsbeleid.
Stichting Orgaan voor Overleg en
Advies in de provincie Noord Holland. Haarlem 1977
PLANNING VOOR PLAATSELIJK
EDUCATIEF WERK
Publikatie nr. 26 in de “groene
reeks”van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Den Haag 1976.
WERKINFORMATIE VJV I
Een uitgave van de Landelijke
Organisatie VJV over:
organisatie van een centrum, personeel, huisvesting, financiën, overheid en
relatie.
WERKINFORMATIE VJV II
Een uitgave van de Landelijke
Organisatie VJV over:
werving, doelgroep, programmering.
Utrecht 1977.
ONTWERP PROGRAMMAVOORSCHRIFTEN
VJV.
Laatstelijk gewijzigd ledenraad
juni 1978.
DISCUSSIEMATERIAAL NOTA
PLAATSBEPALING VJV.
Eveneens een uitgave van de
landelijke organisatie.
Utrecht 1978.
EDUCATIEVE VOORZIENINGEN: NET
WERK?
Een uitgave van de landelijke
organisatie VJV,
samengesteld door de kommissie nieuwe educatieve voorzieningen.
Utrecht 1977.
HUISVESTING Vormingswerk Jong
Volwassenen.
Een nota over de
(on-)mogelijkheden van huisvesten.
VJV – Bollenstreek 1977.
VRIJE TIJD: WAT WILLEN ZE ER
MEE?
Een onderzoek naar de behoeften
en interessen van werkende jongeren in Lisse.
Uitgave: vjv-bollenstreek. Deel 1 1976. Deel 2 verschijnt binnenkort.
Lisse, ,
Het bestuur van de stichting vjv-bollenstreek.
vjv–centrum ’t Krebol vjv–Centrum Qbus
Weeresteinstraat 2 Ruishornlaan 21
Hilllegom Lisse